Van Mossel Museum  

Waalwijk (NL)




●  Onderdeel nieuwe hoofdkantoor
●  70 naoorlogse modellen
●  Teruggebracht in nieuwstaat
●  Van Hyundai tot Bentley
●  Mercedes-Benz: Berkhofs favoriet
  

februari 2024
 

  


Reis naar een showroom van je jeugdjaren


De Van Mossel Automotive Group is een grote speler in de vaderlandse autowereld en daarbuiten, met meer dan 400 bedrijven die zich bezighouden met onder meer verkoop, lease en schadeherstel. De bedrijvengroep is actief in zeven landen, heeft een jaaromzet van ruim 6 miljard euro en biedt werk aan een kleine 7000 medewerkers. Vorig jaar werd in Waalwijk een spiksplinternieuw hoofdkantoor betrokken. In de hal is een automuseum ingericht met zo'n zeventig auto’s uit de naoorlogse historie van de uiteenlopende merken die Van Mossel vertegenwoordigt. Op aanvraag is de collectie te bezichtigen. 
 


‘Discipline. Duidelijkheid. Toewijding’. Met deze drie woorden begint een geschreven portret van Eric Berkhof (1963), de grote baas van Van Mossel, in De Volkskrant van 5 februari 2024. Volgens auteur Marc van den Eerenbeemt karakteriseren deze woorden de man die in 1982 als stagiair bij Van Mossel binnenkwam en nu leiding geeft aan het grootste autobedrijf in de Benelux en het in omvang negende in Europa. Afgelopen jaar werden 100.000 nieuwe en 71.000 gebruikte auto's verkocht. Het artikel beschrijft dat het zakelijk leven van Berkhof om cijfers draait. In de krant zegt hij daarover: ‘Je kunt geen keuzes maken als je niet weet wat de financiële gevolgen zijn. Ik heb mezelf al vroeg aangeleerd alle getallen uit mijn hoofd te kennen. Van al onze 438 bedrijven kan ik uit mijn hoofd vertellen wat de stand van zaken is.’ Drie keer per week neemt hij de cijfers van alle vestigingen door. Met als rode draad dat ze allemaal winst moeten maken. Geregeld bezoekt hij - onaangekondigd - zijn bedrijven en let daarbij op de details. Het moet perfect zijn. Als de entree en het museum in het nieuwe hoofdkantoor graadmeters zijn, snap je wat hij daarmee bedoelt. 
 


Dromen 
Over de opstelling van de auto’s is goed nagedacht, dat zie je zo. Ze staan met veel tussenruimte volgens een vast patroon, keurig maar zonder dat het saai is. De meeste lijken zojuist uit de fabriek te zijn gekomen. Ze zien er na een zorgvuldige restauratie uit als nieuw. Eenmaal binnen denk je even dat je droomt en een reis hebt gemaakt naar een showroom van je jeugdjaren. Maar dan wel een hele chique. Zo mooi zijn ze alleen in dromen. We zijn echter klaarwakker en niet in een showroom maar in een museum. Passend bij het perfectionisme ligt onder iedere auto een bak die moet voorkomen dat eventuele olielekkage de lichte vloer vuil maakt. Om diezelfde reden liggen er kleine glasplaatjes onder de banden. Fraai uitgevoerde informatiepanelen geven de nodige achtergrondinformatie over de auto’s. Als deze expositie niet met discipline en toewijding is gemaakt, weet ik niet welke invulling die woorden dan zouden moeten krijgen.
 

Even droom je in een hele chique showroom van je jeugd te zijn terechtgekomen. 


Guggenheim
Via internet kun je een bezoek regelen, altijd gekoppeld aan een rondleiding. Op vrijdag en zaterdag ben je welkom. Ik meld me op vrijdagmorgen 23 februari om kwart voor twaalf. De gids zal me zo meteen voor de toer van twaalf uur komen ophalen, wordt me vriendelijk verteld. De wachttijd biedt een goede gelegenheid het imposante gebouw op me te laten inwerken. Het atrium is vijf etages hoog. Gebroken wit is de dominante kleur. De rondlopende verdiepingen met kantoorruimtes zijn via ronde trappen met elkaar verbonden. De architect lijkt inspiratie te hebben opgedaan bij het Guggenheim Museum in New York. Het hoofdkantoor van de Van Mossel-groep werd in mei 2023 geopend. Het is groots zonder protserig te zijn. De banken en stoelen van de wachtruimte zijn passend stijlvol en staan op een ovaal vloerkleed. Intussen kijk ik uit op een Mercedes-Benz 300SL Roadster van de jaren vijftig, een BMW Z8 van begin deze eeuw en een beeld van twee heren die met een klap op elkaars handen een koop bezegelen. Het zijn Wim van Mossel en Drik Berkhof, twee mannen die aan de wieg stonden van het huidige miljardenbedrijf. Achter in de grote hal wordt die historie met woorden en oude foto’s nog eens uit de doeken gedaan.
 

In 2023 werd het nieuwe hoofdkantoor geopend. Links de hoofdingang, rechts de grote hal. 

Kantoren op de bovenverdiepingen: ruim opgezet en keurig afgewerkt.

Boven kantoren, beneden de showruimte van de klassiekers.

Achter het hoofdkantoor ligt een heel service- en logistiek complex voor onder meer onderhoud.

Wim van Mossel en Drik Berkhof, de twee mannen waarmee het allemaal begon.

 

Stagiair
In 1947 start Wim van Mossel in ’s-Hertogenbosch een garagebedrijf. Zeven jaar later wordt hij op aandringen van importeur Pon Volkswagendealer en verhuist het bedrijf naar Waalwijk. Het eerste jaar verkoopt hij er vier. Het jaar erop 67. Het worden er snel meer. In de jaren erna komen er tal van zaken bij, zoals een caravanhandel en twee doe-het-zelf-winkels. In 1978 draagt hij het bedrijf over aan Nico van Rooij die de naam van de onderneming laat voortleven. Vier jaar later komt Eric Berkhof binnen als stagiair en ontwikkelt zich als uitstekende verkoper. Hij volgde een opleiding aan het Instituut voor de Autohandel (IVA) in Driebergen. Hij kent het bedrijf vanaf zijn jeugd. Zijn vader, Drik Berkhof (de man van het beeld), was autohandelaar en kind aan huis bij Van Mossel. In 1988 neemt Eric Berkhof als 24-jarige de zaak over. Zijn eerste opdracht is de onderneming economisch gezond en toekomstbestendig maken. Hij wil het bedrijf verder uitbouwen, een drang die niet meer zal verdwijnen. De groei in de jaren negentig krijgt deze eeuw een vervolg. Tot 2011 is die gebaseerd op twee merken: Volkswagen en Audi. Dan maakt Berkhof een strategisch plan waarin verbreding centraal staat. Naast autoverkoop komen schadeherstel en de leasemarkt in beeld en breidt het aantal merken zich uit. Op zoek naar financiering komt hij in contact met Ben Mandemakers, de Brabantse ondernemer wiens bedrijf groot werd met de verkoop van keukens. Ze worden compagnons, ieder met de helft van de aandelen. Vanaf 2017 gaat de groei in spectaculair tempo door. Na activiteiten in de Benelux, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk is Van Mossel sinds begin dit jaar ook in Denemarken actief.
 

Het museum is onderdeel van het hoofdkantoor en showt klassiekers van het huidige merkaanbod.

 

Collectie
Van de vijf mensen die zich hebben aangemeld voor de rondleiding van twaalf uur komen er twee niet opdagen. We zijn dus met een klein groepje dat onder leiding van Fons Schraauwers komende twee uur alles gaat bekijken. Hij brengt ons eerst naar het auditorium, even chic als de rest van het gebouw. Twee korte video’s geven achtereenvolgens een impressie van het bedrijf, de historie, de verschillende automerken en het nieuwe hoofdkantoor. Dat biedt werkruimte voor 450 medewerkers. Bij de bouw was duurzaamheid een belangrijk thema. Op de daken liggen 3600 zonnepanelen die 80 procent van de benodigde energie opwekken.
Dan is het tijd voor de auto’s. De collectie bestaat uit historische modellen van de ruim 20 merken die Van Mossel op dit moment verkoopt. Soms stonden de auto’s als curiositeit in de showrooms van de dealerbedrijven die Berkhof opkocht.
We starten de toer bij de auto waarmee het voor Van Mossel begon: de Volkswagen Kever. De zogeheten ‘brilkever’ met de twee kleine achterruitjes is van begin jaren vijftig en ook de oudste auto hier. Een paar jaar jonger is het eerste model van het Volkswagenbusje (Type 2 volgens de Volkswagen-typologie) en dan in de uitvoering T1, beter bekend als de ‘spijlbus’ vanwege de tweedelige voorruit. Ernaast staat een T2, uitgevoerd als servicewagen van het bedrijf in een van de standaardkleuren, knaloranje. Verder zien we een Golf GTI van het eerste model en een Phaeton, het prestigeproject van wijlen topman Ferdinand Piëch dat commercieel op een grote mislukking uitdraaide.

 

Porsche maakt onderdeel uit van de Volkswagen-groep.

Sinds medio jaren zestig is de 911 hét uithangbord voor het merk.

Twee exemplaren van de 911, de tweede en vierde generatie.

Een Volkswagen Kever uit 1952 met rechts duidelijk zichtbaar het gesplitste achterruitje. 

Een VW Spijlbus (1960) en zijn opvolger, gespoten in het destijds modieuze oranje.

Schaalmodel van de Volkswagen Samba-bus, de luxe versie van de eerste generatie Transporter.

De Golf op zich definieerde een nieuwe klasse, de sportieve GTI werd daarbinnen een klasse op zich.

Geblokte bekleding vond men destijds wel passen bij een sportversie. 

De zwarte raamomlijsting bij de achterruit is kenmerkend voor de GTI. 

Technisch van grote klasse, maar commerceel een flop: Volkswagen Phaeton.

Kleurrijker
Over commerciële flop gesproken: een van de eerste auto’s die Eric Berkhof volgens het Volkskrant-artikel verkocht, was de NSU Ro 80. Het moet dan een tweedehands zijn geweest, want het revolutionaire model met draaizuigermotor is in 1977 uit productie gegaan. De auto was in de beginjaren zeer storingsgevoelig. Hier staat een gele, passend bij het begin van de jaren zeventig toen het wagenpark veel kleurrijker was dan vandaag de dag. Moederbedrijf Volkswagen liet NSU in 1967 samengaan met Audi. Dat merk nam schaamteloos NSU’s slagzin ‘Vorsprung durch Technik’ over, maar wist het vervolgens wel in te vullen. De twaalfcilinder, aluminium Audi A8 en het eerste model Quattro zijn daarvan mooie voorbeelden. Het merk was voorloper op het gebied van vierwielaandrijving bij personenwagens.
Later nam Volkswagen de merken Seat en Škoda over. Ik zie ze nog in de showroom staan. Nieuw en misschien zelfs wel minder mooi afgewerkt dan hier. Schraauwers wijst op de achterlichten van de Škoda Felicia cabriolet in de vorm van kleine vleugeltjes die vooral bij de Amerikanen in de mode waren. De 1000MB (waarvan de letters verwijzen naar de stad waar de auto werd gemaakt, Mladá Boleslav in het toenmalige Tsjechoslowakije) heeft net als vele West-Europese kleine middenklassers van toen de motor achterin. De rode hier heeft nog een ver door de hoeken getrokken panoramische achterruit. Het maken daarvan was kostbaar; latere uitvoeringen kregen een veel vlakkere ruit. Uit het historieboek van Seat is de Ibiza present, het eerste zelfontwikkelde model nadat de Spanjaarden hun jarenlange relatie met Fiat hadden verbroken. Een nakomeling uit die relatie is de Malaga, afgeleid van de Seat Ronda die op zijn beurt afstamde van de Fiat Ritmo. Waar zie je zo’n auto nog? Hier dus!
 

NSU Ro 80 met revolutionaire maar storingsgevoelige draaizuigermotor.

De Audi RS4 Avant, een wolf in schaapskleren: supersnel (en daardoor ook geliefd bij criminelen).

Quattro betekent bij Audi vierwielaandrijving.

Met de oer-Quattro zette Audi destijds de toon.

De Audi A8 is geheel vervaardigd uit aluminium. Onder de motorkap huist een motor met 12 cilinders.

Tot de Volkswagengroep hoort ook Škoda. 

De 1000MB, in de beginperiode nog met een ver door de hoeken getrokken achterruit.

De MB in de naam verwijst naar de plaats waar de auto werd gemaakt: Mladá Boleslav.

De Felicia cabriolet heeft achterlichten in de vorm van destijds modieuze vleugeltjes.

Seat Ibiza, het eerste door het zelfstandige Spaanse merk ontwikkelde model.

Giugiaro werd ingeroepen voor de vormgeving, Porsche voor technische ondersteuning.

Zo'n Marbella, nog met Fiat-invoeden, zie je tegenwoordig bijna nooit meer.

Saai
Voorbij de Volkswagengroep staan enkele modellen van de grote Duitse concurrent Opel, toen nog een volledige dochter van General Motors. Jaren achter elkaar was de Opel Kadett de best verkochte auto in Nederland. Hier zien we het beroemde B-model waarmee het merk titelhouder werd. Niet in deze uitvoering overigens. Het is een dure L, herkenbaar aan de verchroomde raamlijsten en sierlijsten rond de wielkasten, en dan ook nog eens met een automatische versnellingsbak en een schuifdak.
In die dagen was de typenaam Rekord minstens zo bekend. Ook van de P2 - gemaakt tussen 1960 en 1963 - staat hier een exclusieve variant, een tweekleurige coupé. Het dak was een stuk korter gemaakt waardoor een overdreven lange achterkant ontstond. Opel had in die dagen het imago betrouwbaar te zijn, maar wel saai en technisch weinig vooruitstrevend. Om het beeld wat op te poetsen presenteerde het merk eind jaren zestig de spraakmakende GT met zijn wegdraaibare koplampen. In diezelfde periode moest de Opel Manta als coupéversie van de tamelijk inspiratieloze middenklasser Ascona concurrentie bieden aan de flitsend uitziende en uitermate succesvolle Ford Capri. Om te kunnen vergelijken ging je destijds van showroom naar showroom. Nu zijn het slechts enkele stappen. Niets ten nadele van de Manta, maar de lichtgroene 1700GTXL is een pláátje. Geheel in stijl met de mode van toen met een vinyldak. De XL duidt op luxe, de GT op sportiviteit. Wie nog een stapje sportiever voor de dag wilde komen, nam de GTXLR met zwarte motorkap. De Capri wordt gezelschap gehouden door een vierdeurs 20M en het eerste model van de Escort. Net als bij de Kadett is het niet de meest in ons land verkochte, goedkope versie. Die had niet de rechthoekige koplampen en moest het doen zonder de chroomomlijsting bij de zijruiten. Een vierde Ford is een Granada, een strak gelijnde sedan met in dit geval sportvelgen om nog wat smaak aan het geheel te geven.
 

Jaar in jaar uit was de Opel Kadett de best verkochte auto van Nederland.

Deze uitvoering heeft een automatische versnellingsbak.

Dit is een luxe Kadett L, met verchroomde raamlijsten en sierlijsten langs de wielkasten.

Opel Rekord (P2) als coupé.

Kunstig gevormd typeplaatje waarin typenaam en uitvoering met elkaar zijn vervlochten.

Door het ingekort dak ontstaat een hele lange achterkant.

Opel GT, in het leven geroepen om het saaie imago van Opel op te poetsen.

De GT werd wel de Corvette van Europa genoemd, met name vanwege de vormgeving.

Opel Manta, de sportieve variant van de middenklasser Ascona.

De ronde achterlichten zijn een onderscheidend stijlelement van zowel de Manta als de GT.

Van meet af aan een verkoopsucces, de Ford Capri, een familieauto in sportwagenverpakking.

De GTXL combineerde luxe en sportiviteit. De kleine achterlichten zijn kenmerkend voor de eerste serie.

Van binnen eerder luxe dan sportief.

 

Ford 20M vierdeurs, duidelijk met Amerikaanse stijlinvloeden.

Het luxe interieur van de Ford, het houtfineer passend bij die tijd.

Het is een luxe versie met een 2,3 liter motor. De 20M is herkenbaar aan het sierpaneel tussen de achterlichten.

Een van de eerste samenwerkingprojecten van Ford Engeland en Duitsland, de Escort.

Rechthoekige koplampen en chroomlijsten waren voorbehouden aan duurdere versies.

Strak gelijnd en weinig opwindend: de Ford Granada.

Met sportwielen moet de auto er wat aantrekkelijker uitzien.

Zuid-Korea
Inspelend op de belangstelling voor elektrische auto’s, haalde Van Mossel enkele jaren geleden het Chinese merk MG naar ons land. Met succes; de SUV wist in korte tijd klanten voor zich te winnen. Met de rijke historie van het Britse sportwagenmerk MG hebben de huidige modellen natuurlijk niets te maken. De naam hoorde bij de inboedel toen de Chinezen de restanten opkochten van wat ooit MG Rover was. Alleen de naam is voor Berkhof echter voldoende reden toch twee oude MG’s in zijn museum te zetten. De Midget was de kleinere sportwagen, de MG B het meest succesvolle model van het merk. De uitvoering hier in het museum is een Amerikaanse, herkenbaar aan de drie ruitenwissers en de zijmarkeringslichten.
Zoals China nu een snel opkomende auto producerende natie is, waren Japan en Zuid-Korea dat in respectievelijk de jaren zestig en tachtig. Spectaculair waren auto’s als de Datsun Sunny of Hyundai Pony allerminst, maar juist daarom is het zo leuk dat ze hier staan. Je komt ze zelden tegen in musea of bij evenementen. Familielid van de alledaagse Sunny is de - vooral in Amerika - uiterst succesvolle Datsun 260Z, in het moederland Fairlady gedoopt. De huidige Nissan 370Z is daarvan een verre opvolger.
Wat de Koreanen aangaat, herinner ik me nog de introductie van de eerste Pony op de Amsterdamse RAI. Er werd niet alleen een foldertje van de auto uitgedeeld, maar ook promotiemateriaal over het land Zuid-Korea. Technisch was die Pony behoorlijk ouderwets, dus lag de nadruk op het carrosserieontwerp van Giugiaro. Net als bij de Alfasud had hij een vierdeurs getekend zonder grote achterklep. Die kwam pas daarna. Een paar jaar later kwam er nog een Koreaans merk naar Europa, Kia. Daarvan zien we een kleine pick-up met drie wielen, naar het voorbeeld van een Mazda. Die is hier nooit geleverd, dus des te aardiger om te bekijken. Tussen deze Aziaten staat een opvallende, gele Lotus Elan. Je denkt eerst dat het een foutje is, maar dat past niet bij de nauwkeurigheid waarmee de collectie is neergezet. Als je goed kijkt, zie je op de neus niet het beeldmerk van Lotus, maar van Kia! De fabrikant had het Britse merk onder zijn vleugels genomen nadat Lotus enkele keren van eigenaar was gewisseld. Het bracht de Elan onder eigen naam uit, vrijwel ongewijzigd, met uitzondering van de achterlichten.
 

Van Mossel zet twee oude MG's in het museum, de Midget en MG B.

Tegenwoordig is MG een Chinees merk.

Datsun Sunny, één van de eerste Japanse modellen die doorbraken in Nederland.

Toen was Datsun de merknaam, tegenwoordig is het Nissan. 

Een kleine sedan, van voor de tijd dat de hatchback de norm werd.  

Met name in Amerika was de Datsun 260Z razend populair.

De 260Z is de opvolger van de 240Z.

Waar zie je zo'n auto nog? De eerste Hyundai op de Nederlandse markt.

Technisch conventioneel , maar met een fraaie carrosserie ontworpen door Giugiaro.

Een latere Hyundai Pony in vierdeurs uitvoering.

Een bestelwagentje van Kia, ook een Zuid-Koreaanse fabrikant.

Kia maakte de pick-up in licentie. Feitelijk was het een Mazda-ontwerp.

Het lijkt een Lotus Elan, maar is het niet.

Aan de achterlichten is te zien dat het een Kia Elan is.

Koffie
We blijven nog even in Azië. Van Mossels concurrent Louwman bracht het Japanse merk Suzuki als eerste naar Nederland, is nog altijd importeur via dochterbedrijf Nimag en verkoopt de auto’s via verschillende eigen dealerbedrijven. Binnen de Van Mossel-groep zijn er Belgische dealers die het merk voeren. En dus staat hier in Waalwijk het straatduiveltje SC100 GX en de lichte terreinwagen van de SJ-serie. Naast de kleine Japanse terreinveroveraar staat het origineel, de Jeep. De Wrangler stamt nog af van het oermodel uit de Tweede Wereldoorlog terwijl de Cherokee fakkeldrager is van de stoet SUV’s die de straten van vandaag bevolken. Naar verluidt zou dit exemplaar van scheepsmagnaat Onassis zijn geweest. Schraauwers toont een sticker op de achterruit met Griekse letters.
Dan is het tijd voor koffie of thee, met de complimenten van onze gastheer én een cakeje. Intussen kijken we naar een Bentley Mulsanne Turbo S en Aston Martin Vanquish. Die merken worden vertegenwoordigd door bedrijven op de Britse eilanden. Ze passen in de hoek van de andere luxe Britse merken, als je Jaguar en Land Rover tenminste nog zo mag noemen na de overname door het Indiase Tata. Uit de tijd dat de kwaliteit van Engelse auto’s niet om over naar huis te schrijven was, stamt de Jaguar XJ met twaalfcilinder motor. Onze gids had er ooit zelf één en moest er geregeld mee naar de garage. De kleurcombinatie - rood met een zwart vinyl dak - roept de associatie op met de Mark II van Inspector Morse. Maar die was een stuk ouder. Ook de eerste Range Rover was zeker niet probleemloos, maar creëerde wel een hele nieuwe klasse. De spraakmakendste auto in deze hoek is de Jaguar E-type, volgens de legendarische Enzo Ferrari de mooiste auto ooit gemaakt.

 

Suzuki SC100 GX, een klein sportcoupeetje dat in Japan erg populair was.

De LJ- en SJ-reeks waren de eerste kleinere terreinwagens in Nederland.

Wrangler, de afstammeling van de oorspronkelijke Jeep uit de oorlog.

Jeep Cherokee, voorloper van een hele reeks SUV's.

Een vroege Land Rover, nog met de koplampen dicht bij elkaar naast de grille.

In 1970 was de Range Rover een sensatie; de wagen combineerde luxe met uitstekende terreineigenschappen.

Een Jaguar XJ, in dit geval met een twaalfcilinder onder de motorkap.

Jaguar E-Type van de derde serie; ook een twaalfcilinder.

Volgens Enzo Ferrari de mooiste auto ooit gemaakt.

Aston Martin Vanquish (2004) door een dealerbedrijf in het Verenigd Koninkrijk verkocht. 

Bentley Mulsanne in de Turbo S-uitvoering waarvan er slechts een gering aantal zijn gemaakt.
 

Roestplekje
Schraauwers pakt de draad weer op. Inmiddels weten we dat het rondleiden puur een hobby is. Met het verkopen of onderhouden van auto’s heeft hij niets van doen. Voor zijn pensionering was hij vermogensbeheerder. Hij brengt ons naar Italië, het land van de Fiat 500 en van de beroemde koetswerkontwerpers. Pininfarina ontwierp (en bouwde) de Fiat 124 Spider en de open Alfa Romeo. Giugiuaro zette de lijnen van de Alfa Romeo GTV op papier en Bertone schiep de onsterfelijke Alfa Romeo Giulia coupé. Ze staan hier gebroederlijk naast elkaar. Geen roestplekje te zien. Dat was in de showroom vroeger nog wel eens anders. Van de gewone Giulia presenteert Van Mossel de 1300, herkenbaar aan de enkele koplampen. Als je naar binnen kijkt, zie je op het stuur een uitgetrokken versie van het beroemde beeldmerk. Je zou het misschien niet zeggen, maar met name door de afgeknotte achterkant heeft de auto een zeer gunstige stroomlijn.
De overstap naar Peugeot is een kleine, want Pininfarina was verantwoordelijk voor de vormgeving van de legendarische 404 en 504 en later de 406 Coupé. Uitgevoerd in lichtgroen is het misschien wel de mooiste Franse auto van eind vorige eeuw. Eén van de succesvolste was de kleine 205, een kaskraker eerste klas, niet in de laatste plaats vanwege de aansprekende, sportieve GTI.
 

Fiat 500, het troetelkind van de Italiaanse autowereld. Compleet met vouwdakje en banden met witte zijvlakken.

Alfa Romeo Giulia 1300, van de zwaardere 1600 te onderscheiden door de enkele koplampen.

Midden op het stuurwiel het platgedrukte beeldmerk van Alfa Romeo..

Ondanks de hoekige vorm, heeft de Alfa een goede luchtweerstandscoëfficiënt.

De door Bertone ontworpen Giulia GT 1300 Coupé.

Alfa Romeo GTV6, 2.5. Het ontwerp is van Giugiaro.

Aanvankelijk heette de auto Alfa Romeo Alfetta GTV. 

Pininfarina tekende en produceerde de Fiat 124 Spider.

Later zou Pininfarina de auto onder eigen naam op de markt brengen. 

De vierde generatie van de Alfa Romeo Spider, getekend door Pininfarina.

De achterkant is veel eleganter dan die van de derde serie met grote zwarte spoiler achterop.

Pininfarina ontwierp ook de Peugeot 404.

De 504 was een zeer succesvol model van het merk en werd vele jaren lang gemaakt.

De auto hier is voorzien van verschillende accessoires, zoals een zonwering voor de achterruit en sportvelgen.

De 205 heeft ervoor gezorgd dat Peugeot als automerk wist te overleven in de jaren tachtig.

 

Een kwartet Peugeots bij elkaar.

Misschien wel de mooiste Franse auto van eind vorige eeuw, de Peugeot 406 Coupé.

Karton
We blijven in Frankrijk, maar gaan terug naar de tijd dat de merken Peugeot en Citroën nog niet in één adem werden genoemd en nog zelfstandig waren. Citroën was in het autolandschap het buitenbeentje met uitgesproken creatieve, innovatieve en unieke modellen en met geen enkel ander merk te vergelijken. Van Mossel heeft een kwartet auto’s in de expositie opgenomen die het stuk voor stuk aantonen. Bijzonder in de zin van ‘je ziet ze nooit meer’ zijn ze zeker niet. Wie kent de 2CV en DS niet? De DS was dé sensatie van de Parijse autoshow in 1955, zoals de Eend dat zeven jaar eerder was. Niets is gewoon aan de auto’s, behalve dat ze een motor en vier wielen hebben. Degelijkheid is niet het eerste woord dat bij je opkomt. Schraauwers illustreert dat door de kofferklep van de DS te openen. Hij laat het deksel in zijn handen dansen alsof het van karton is gemaakt, zo flexibel. Wat deert het? De Déesse (Frans voor godin) is onsterfelijk. Bij de SM weet hij te vertellen dat het onderhoud destijds nog niet zo simpel was, omdat de monteurs van Citroën niet waren getraind om te werken aan de motor die van Maserati afkomstig was. Van de vierde Citroën, een Ami 8, zijn er vermoedelijk minder overgebleven dan van de andere drie. Je ziet er zelden nog een. Ook deze auto ziet er als nieuw uit, gespoten in een exclusieve appeltjesgroene kleur, door de fabrikant ‘vert iris’ gedoopt.
Wat eigenzinnigheid betreft kon Renault er ook wat van. De 16 met zijn vijfde deur was midden jaren zestig voorloper in de middenklasse. De versie hier is een TX, als topmodel geïntroduceerd in oktober 1973. Dubbele koplampen en speciale velgen maken direct duidelijk dat je niet met een eenvoudige uitvoering te maken hebt. Net als alle andere 16s, heeft de TX de bijzondere torsie-achtervering waardoor de wielbasis links en rechts enkele centimeters van elkaar verschillen. Daarmee vergeleken was de Renault Dauphine minder eigenzinnig, maar niet minder succesvol. Meer dan twee miljoen zijn er gemaakt tussen 1956 en 1967. Een handjevol is overgebleven en ontkomen aan de sloop. Het verval zette vaak na een paar jaar al in. De auto was bijzonder roestgevoelig, zoals veel modellen in die tijd. Sportiviteit stond centraal bij de Alpine A110 met Renault-motor. Het aanvankelijk onafhankelijke bedrijf werd begin jaren zeventig overgenomen en onderdeel van Renault.
 

Een tamelijk jonge en weinig exclusieve Citroën 2CV.

De snoek of het strijkijzer, bijnamen voor de Citroën DS, het spraakmakendste model dat het merk ooit introduceerde.

De Citroën SM combineert het onderstel en koetswerk van Citroën met de motor van een Maserati.

De hydropneumatische vering laat de auto rijzen wanneer wordt gestart.

Twee cilinders, 600 cc, luchtgekoelde motor: de karakteristieken van de Citroën Ami 8.

Gespoten in een exclusieve, maar originele kleur. Zo zie je ze niet meer.

Het is maar een paar stappen van Citroën naar Renault.
 

Zicht op de expositie vanaf de eerste etage. 

De Renault 16 was medio jaren zestig een sensatie. Deze TX komt uit de jaren zeventig.

Als opvolger van de naoorlogse 4CV presenteerde Renault in de jaren vijftig de Dauphine.

De motor zit achterin. Achter het nummerbord aan de voorkant zit een opbergvak voor het reservewiel.

In de Alpine ligt een motor van Renault. De sportwagenfabrikant werd in de jaren zeventig onderdeel van Renault.

De A110 boekte goede resultaten in races en rally's.

Lievelingsmerk
Van Mossel verkoopt ook BMW. Afhankelijk hoe je telt, is dit merk vertegenwoordigd met twee of drie auto’s. De museuminrichters hebben besloten de Mini hier een plekje te geven. Het gaat om het oorspronkelijke model, een even ingenieus als technisch ingewikkeld ontwerp van Alec Issigonis. In 1959 kwam de eerste op de markt, maar de uitvoering hier is van ruim een kwart eeuw later. Het is een ‘The Chelsea’, een actiemodel uit 1986 met (veel te) brede wielen. Anders dan de oorspronkelijke uitvoeringen heeft het wagentje een echt dashboard met klokken achter het stuurwiel in plaats van in het midden van de auto (met het oog op beperkte aanpassingen voor links of rechts gestuurde versies). Echte BMW’s staan er ook en niet de meest alledaagse. De vuurrode uit de 6-serie (model E24 voor de kenners, gebouwd tussen 1975 en 1989) is het topmodel, de M635 CSi, uitgerust met exclusieve Alpina-velgen. Op een podium zien we de spraakmakende Z8 van rond de eeuwwisseling, waarbij de ontwerpers nadrukkelijk elementen van de beroemde 507 hebben laten terugkomen. Het is er een van de 5700 die zijn gemaakt.
We naderen het einde van de rondgang met het lievelingsmerk van Erik Berkhof, Mercedes-Benz. Het is niet toevallig dat ze bij het raam staan als vaandeldragers van het hoofdkantoor annex museum. We tellen er maar liefst acht. De privé-verzameling is nog omvangrijker. Het verhaal gaat dat bij een overname van een dealerbedrijf in België enkele klassieke Mercedessen het ingewikkeldste onderhandelingsthema waren. Berkhof wilde ze per se hebben, als onderdeel van de overeenkomst. De garage-eigenaar vond het niet moeilijk zijn bedrijf te verkopen, maar het afscheid van de klassiekers viel hem zwaar. Hij mocht er uiteindelijk één houden. De meest waardevolle auto’s zijn de twee 300SL’s van de jaren vijftig, een zogeheten ‘vleugeldeur’ en roadster.
 

De Mini is bij de BMW's gezet. The Chelsea is een actiemodel uit 1986. 

Zelfs de extra breed gemaakte wielkasten zijn nog te smal. Of de wielen veel te breed natuurlijk.  

BMW M635 CSi, topmodel van de 6-serie, bouwjaar 1984.

Dit exemplaar is uitgerust met Alpina-velgen.

BMW Z8, nog niet eens zo oud, maar nu al een klassieker, geïnspireerd door de 507 uit de jaren vijftig.

De Mercedes-Benz 300SL met vleugeldeuren is met een verzekerde waarde van 1,6 miljoen de kostbaarste van de collectie.

Mercedes is het lievelingsmerk van Eric Berkhof.

Na enkele jaren verving Mercedes-Benz de vleugeldeur door een Roadster. Die was letterlijk veel toegankelijker.
 

Het eenvoudiger broertje van de 300SL, de 190SL.
 

Verbluffend fraai is ook de binnenkant van de 190SL. 

Protserig
Stuk voor stuk zijn het begeerlijke automobielen, van de zescilinder 220S 'ponton' tot een imposante donkergroene 280SE 3.5 Cabriolet met groene kap, oorspronkelijk afgeleverd in Amerika. De SL-reeks is ruim vertegenwoordigd met een W113 (beter bekend als de ‘Pagode’) en zijn opvolger R107, in 1971 gepresenteerd en 18 jaar lang in productie gebleven. Naast de attractiefste auto’s zien we in deze hoek ook de meest protserige van het geheel, een moderne Maybach. Mercedes-Benz wilde een historische naam nieuw leven inblazen om het concurrent Rolls-Royce (eigendom van BMW) lastig te maken, maar die missie mislukte volledig. Het is duidelijk niet het type auto waarin Fons Schraauwers gezien zou willen worden. Hij zou de gordijntjes bij de achterdeuren en de achterruit meteen dichtdoen. Gelukkig is dit niet aan de orde.
Hij heeft alle zeventig auto’s besproken en laten zien. Het zit erop. Maar voordat we afscheid nemen is er nog een tasje met een magazine, een flesje water en nog wat klein promotiemateriaal. Berkhof wil dat bezoekers aan zijn hoofdkantoor zich gast voelen. Dat is gelukt. Naast de ingang zit een nieuwe groep te wachten op een rondleiding. Schraauwers heeft een paar minuten pauze en steekt dan opnieuw van wal. Het begon ooit met een Volkswagen Kever…

 

Mercedes-Benz 220S uit 1958. De zescilinders van het pontonmodel - zoals deze - hebben een langere motorkap.

Ook deze auto ziet er uit alsof hij zojuist uit de fabriek is komen rijden. We weten wel beter...

Mercedes-Benz 280Se 3.5 in een sublieme combinatie van twee kleuren groen.

Van alle kanten een schitterende auto. Op de teller staat slechts een paar honderd kilometer! 

Deze koplampen waren speciaal voor de Amerikaanse markt. 

Op de G-serie na is deze SL de Mercedes-Benz die het langste in productie is gebleven.

Mercedes SLS-AMG met een 6,3 liter motor onder de kap.

De vleugeldeuren zijn een verwijzing naar de klassieke 300SL.

De Mercedes-Benz SL met als bijnaam 'Pagode', naar de vorm van het hardtop-dak. 

Mercedes-Benz 190E 2.3, de sportieve versie van wat destijds de Baby-Benz werd genoemd.

De meest opzichtige, maar zeker niet fraaiste auto in het museum: de Maybach.

Het lukte de Duitsers niet een serieuze concurrent voor de Rolls-Royce te worden.