Buitengewone automobielen

Den Haag (NL)


 
Tijdelijke tentoonstelling
Zeven bijzondere pionierautomobielen
● Voor het eerst buiten Frankrijk
Geheel origineel  
● Schenkingen van de makers of familie  
 

december 2021

 

  


Een gunstige speling van het lot 

De extra wintertentoonstelling in het Louwman Museum omvat dit jaar slechts zeven auto's. Ze zijn echter buitengewoon. In de taal van hun makers 'extraordinaire'. Origineler is haast niet mogelijk. De pionierautomobielen zijn jarenlang vergeten en weggestopt in de zalen van een Frans paleis. Dat heeft hun huidige aantrekkingskracht versterkt. Voor het eerst zijn ze buiten Frankrijk te zien.
 

 

Je zou er bijna bijgelovig van worden. Onze reizen door de autowereld lijken dit najaar in het teken te staan van veroudering en verval. Het past bij het wat deprimerende tijdsbestek, nu het coronavirus de samenleving onverwacht snel en hevig heeft heroverd en in de greep genomen. Nog maar kort geleden bekeken we in de zomer tal van schitterend opgeknapte antieke en klassieke auto’s in verschillende buitenlandse musea. Hun mooi gelakte carrosserieën met ornamenten van glimmend messing zorgden voor bewondering. Met het intreden van de herfst is het beeld op slag veranderd. Opeens staan we voor de derde keer in korte tijd oog in oog met roestige oude auto’s. Sinds hun ontstaan is er geen verfspuit of boenwas in de buurt geweest of het moet wel heel lang geleden zijn. Het begon in oktober in Gent met de auto’s van Mahy. Daarna waren het vorige maand de klassiekers in Musée des Arts et Métiers in Parijs. En dan nu het zevental in een zijzaal van het Louwman Museum. Natuurlijk is het toeval. Bijgeloof is niet aan de orde. Al was het maar omdat de Nederlandse expositie al enkele jaren in de pen zat. Bovendien klinken veroudering en verval negatief, terwijl de tijdelijke tentoonstelling juist de schoonheid en charme van de ouderdom wil laten zien. Terecht. Twee maanden lang staan de unieke auto’s uit de periode 1878-1911 in Den Haag. Voor de gelegenheid is het licht in de zaal gedempt en schijnt over het rijdend antiek een blauwe gloed. Dat zorgt voor de juiste sfeer. Het past ook bij het beeld van die tijd. Toen deze auto’s op de weg verschenen, was elektrische verlichting lang niet overal gemeengoed. Op de aankondigingen staat met zwierige letters ‘AutoMobiles ExtraOrdinaires’. Buitengewoon. Daar is niets mee miszegd.


 

Nationaal automuseum
De auto’s maken onderdeel uit van de collectie van het Château de Compiègne in Frankrijk. Drie van de zeven zagen we eerder tijdens een bezoek aan het kasteel in 2018. De andere stonden op de overdekte binnenplaats die was afgesloten voor publiek.
Alle auto’s zijn origineel en ongerestaureerd. De tijd is er overheen gegaan zonder dat de mens ingreep. Museumdirecteur Ronald Kooyman spreekt over een gunstige speling van het lot. Hij weet te vertellen dat in de jaren twintig in Frankrijk het idee ontstond voor een nationaal automuseum. De directeur van het kasteel was een liefhebber en wilde een dergelijk instituut binnen de muren. Het museum moest onderdak bieden aan de eerste producten van de inmiddels bloeiende Franse auto-industrie. Zo zou de historie voor komende generaties inzichtelijk en bewaard blijven. Fabrikanten en hun families werd gevraagd een auto voor de collectie ter beschikking te stellen. Dat deden ze. Onder meer Louis Renault en Albert de Dion schonken persoonlijk een auto. Anderen bleven niet achter. Op 1 juli 1927 werd het Musée National de la Voiture et du Tourisme officieel geopend. Hoe ambitieus de plannen aanvankelijk ook waren, tot verdere bloei kwam het niet. De opvolger van de initiatiefrijke directeur had andere prioriteiten. De auto’s bleven weliswaar, maar kregen weinig aandacht. Dat is in al die jaren nauwelijks veranderd. Een gezaghebbend automuseum is het nooit geworden. De collectie van Schlumpf in Mulhouse trok alle aandacht naar zich toe.
Recent is het plan ontstaan het oude idee nieuw leven in te blazen. Het kasteel wordt verbouwd. Dat bood gelegenheid een aantal modellen tijdelijk uit te lenen aan het Louwman Museum. Het is voor het eerst dat de auto’s buiten Frankrijk te zien zijn. De jarenlange verwaarlozing is nu een verborgen zegen. Juist het feit dat er niets aan is gedaan, dat het hout en metaal niet onder een nieuwe verflaag zijn verdwenen en dat ze zichtbaar oud zijn, maakt ze zo uniek.
 

Het bordje bij het museum in Compiègne.

La Mancelle
Letterlijk de grootste trekpleister is de stoomwagen van Amédée Bollée van 1878 in het midden van de zaal. Het gewicht is 2750 kilo. Omzichtig is de auto binnengebracht om de vloertegels in het museum niet te beschadigen, legt Kooyman uit. De wagen kon net door de deur. Het is de eerste in serie gemaakte automobiel ter wereld. Hij kreeg de naam ‘La Mancelle’ mee en stal de show tijdens de wereldtentoonstelling in Parijs van 1878. De stoommotor heeft een plaats achterin gekregen. Het vermogen bedraagt 30 pk, goed voor een top van 40 kilometer per uur. Vijftig zijn ervan gebouwd. Die feiten staan in een speciaal krantje dat het museum voor de gelegenheid heeft laten drukken. Daarin staan nog enkele andere gegevens, hoewel er over de verschillende wagens niet zo heel veel bekend is. Wel weten we dat de weduwe van Bollée dit voertuig in 1927 aan het museum in Compiègne schonk. Haar man was tien jaar daarvoor overleden. Aan de zijkant zit een ovalen messing plaatje met de tekst ‘Amédée Bollée Père’ om duidelijk te maken dat dit geen ontwerp is van zijn zoon met dezelfde naam.
 

De eerste automobiel waarvan een hele serie is gemaakt.

De auto verscheen ruim zeven jaar voordat Carl Benz octrooi kreeg op zijn wagen met verbrandingsmotor.

De stoomketel staat achterop.

Om misverstanden te voorkomen is aangegeven dat de auto werd gemaakt door Amédée Bollée senior.
 

Driewieler
De naam Bollée duikt nog een keer op. Bij de ingang van de zaal staat een driewieler van zoon Léon. Gemakshalve noemen we het een auto, hoewel je erover kunt twisten of je dat zou moeten doen. Léon Bollée zag meer in de verbrandingsmotor dan in stoom en ontwikkelde een luchtgekoelde eencilinder krachtbron. Het voertuig uit 1895 kan naast de bestuurder één passagier vervoeren. Naast is misschien niet het juiste woord, want chauffeur en passagier zitten achter elkaar, de chauffeur achter. Met een klein rond stuurtje bepaalt die de richting. Het gewicht van de driewieler is slechts 160 kilo, meldt het krantje. Honderden exemplaren zijn ervan gemaakt. Je komt er zo her en der nog wel eens een tegen, zoals in het automuseum van Reno in Amerika. Dat exemplaar is echter volledig gerestaureerd en ziet er als nieuw uit. Verminkt, volgens fanatieke liefhebbers. Deze hier is nog origineel en niet ten prooi gevallen aan overijverige restaurateurs. Je ziet de maker bij wijze van spreken nog achter het stuur zitten, dik ingepakt als bescherming tegen weer en wind. Want over comfort hoef je het natuurlijk niet te hebben. Overigens is ook deze driewieler een schenking van de weduwe van zijn maker.
 

Zoon Bollée koos voor de verbrandingsmotor voor zijn modellen.

Ongerestaureerd met daardoor een eigen charme.
 

Elektrisch
Terug naar het midden van de zaal. De drie auto’s vertegenwoordigen de drie manieren van voortstuwing van het nieuwe fenomeen automobiel aan het eind van de negentiende eeuw: stoom, elektriciteit en benzine. Vooraan staat een Kriéger, een koets zonder paarden. Twee elektromotoren zorgen voor de aandrijving. Ze zitten aan de binnenzijde van de voorwielen. In 1905 kwam het gevaarte voor het eerst op de weg. Het gewicht is 1410 kilo, waarvan 550 voor de accu’s. De actieradius was circa honderd kilometer, de topsnelheid 40 km/u. Ronald Kooyman wijst op de achterwielen. De 'banden' zijn van hout waarop een dunne laag rubber is geplakt. De aangedreven voorwielen hebben wel gewone banden. De Kriéger is ingezet als Parijse taxi, rond de voor-vorige eeuwwisseling. De elektrotechnisch ingenieur die zijn naam aan de auto gaf, had in 1897 zijn bedrijf opgericht. 400 Stuks verlieten de Franse werkplaatsen, nog eens 1600 auto’s werden in Duitsland onder licentie gebouwd. De maker zelf, overleden in 1951, gaf zijn creatie als cadeau aan het museum van Compiègne.
 

Dit lijkt nog het meest op een gemotoriseerde koets.

De elektromotoren zitten aan de binnenkant van de voorwielen.

De 'banden' van de achterwielen zijn van hout!

De chauffeur had geen enkele bescherming tegen weer en wind.
 

Directiewagen
Achter de Bollée staat een De Dion-Bouton uit 1905. Aanvankelijk kozen ook de heren De Dion, Bouton en Trépardoux voor stoom (elders in het museum staat hun auto uit 1887), maar De Dion en Bouton schakelden al snel over op de verbrandingsmotor. Rond 1900 was hun bedrijf de grootste fabrikant ter wereld. De jaarproductie bedroeg zo’n 1800 auto’s. De motoren van het merk waren beroemd; ook andere merken maakten er gebruik van, waaronder Renault in de eerste jaren.
We zagen deze AX eerder in het kasteel, in de zaal waar ook La Mancelle stond. De wagen zit, vergeleken met de andere modellen, nog redelijk strak in de lak. Voor de liefhebbers van techniek is de motorkap opengezet. We zien vier los van elkaar staande cilinders. Van een motorblok is nog geen sprake. De totale inhoud is 2,5 liter. Ooit was dit de directiewagen van de fabriek. Helemaal origineel is deze auto trouwens niet. Na twee jaar gebruik werd de wagen door de fabrikant aangepast. Opnieuw is sprake van een cadeautje, met de markies De Dion als gulle gever. 
 

Ooit de directiewagen van De Dion-Bouton.

Niet helemáál origineel... in 1907 werd de auto aangepast.

Markies De Dion zelf schonk de auto aan het museum in Compiègne.
 

Limousines
De naam is gevallen: Renault. Met maar liefst twee modellen is het merk aanwezig. Allebei laten ze zien hoe gegoede en rijke burgers zich begin vorige eeuw graag lieten vervoeren. Voor de ‘gewone man’ was een auto net zo min weggelegd als een ruimtereisje nu. Het oudste model is een type V uit 1906, lees ik in het krantje. Kenmerkend voor Renault is de vorm van de motorkap. De radiator is achter de motor geplaatst, in dit geval een 4,4 liter van 20 pk. Het houten koetswerk is van Million-Guiet in Parijs. Opdrachtgever was de familie Bourbon-Parme. Het familiewapen staat op de achterdeur onder het raam, wat in die tijd gebruikelijk was.
Nog groter en imposanter is de CC Double Coupé uit 1911, 1700 kilo zwaar. De vormgeving is – zelfs voor die tijd – klassiek, met een duidelijke verwijzing naar het koetsentijdperk. De carrosserie is het werk van Kellner et Fils, een bekende Parijse onderneming die ook één van de zes Bugatti Royales van een carrosserie voorzag. Er zijn twee afzonderlijk compartimenten. De chauffeur is door een glazen ruit gescheiden van de passagiers. De blauwe gloed over het roestbruine uiterlijk versterkt de schoonheid van de ouderdom. De auto was 62 jaar lang van de eerste eigenaar. 
 

Renault V uit 1906. Opdrachtgever was de familie Bourbon-Parme. Het familiewapen staat op de deur. 

De carrosserie is het werk van het gespecialiseerde bedrijf Million-Guiet in Parijs.

Het familiewapen van Bourbon-Parme staat nog op de deuren.

Het dashboard van de Renault V. Zoals veel auto's in die tijd zat het stuur rechts.

De vormgeving van de neus was kenmerkend voor Renault, met de radiator achter de motor.

De Renault CC Double Coupé uit 1911 heeft een carrosserie van Kellner et Fils.

Het ontwerp is relatief traditioneel, met duidelijke verwijzing naar het koetsentijdperk.

Amerikaan
De zevende auto is pas in 1955 onderdeel geworden van de collectie van het Château de Compiègne, de Hotchkiss Double Coupé V40 uit 1910. Het is een 'conduite interieur', zoals de Fransen dat noemen. De chauffeur zit binnen. Wederom is het een schenking, dit keer van de fabrikant Hotchkiss-Delahaye. ‘Hoewel de auto een traditioneel uiterlijk heeft, was hij in technisch opzicht zeer vooruitstrevend’, lees ik. De zescilinder motor heeft een inhoud van maar liefst 9,5 liter, goed voor 75 pk. In die tijd is dat ongekend veel voor een personenwagen. Hotchkiss klinkt niet Frans. Dat klopt. De naamgever is een Amerikaanse wapenfabrikant die – wederom volgens de aangereikte informatie – in 1867 de oversteek naar Frankrijk maakte. Vanaf 1903 kwamen er niet alleen wapens, maar ook auto’s uit zijn Franse fabriek. Voor het uiterlijk werd ook hier een beroep gedaan op onafhankelijke carrosseriebouwers, in dit geval Audinau et Cie.
 

Klassiek van vorm, innovatief wat techniek betreft.

Imposant: achter de radiator zit een motor met een inhoud van 9,5 liter.

De bagage moest op het dak. In de doos konden de hoeden en hoepelrokken.
 

Nopjes
Tijdens de presentatie is het enthousiasme van museumstichter Evert Louwman en directeur Kooyman duidelijk zichtbaar. Ze zijn in hun nopjes dat deze ooit vergeten grootheden tijdelijk in Den Haag te bewonderen zijn. Hier houden ze van. Origineel en authentiek. 'Unieke voertuigen uit de periode 1878 tot 1911 die nog volledig in authentieke en ongerestaureerde staat verkeren, compleet met oude gebruikssporen', aldus het persbericht. 'We moeten niet vergeten dat de Fransen een grote rol speelden bij de ontwikkeling van de auto', licht Kooyman toe. 'Vanaf het moment dat de automobiel zijn intrede deed rond 1870, waren de Franse fabrikanten dé pioniers op het gebied van de ontwikkeling van gemotoriseerde voertuigen. Simpelweg omdat in Frankrijk de automobiel werd omarmd, terwijl men in Duitsland en Engeland terughoudend was en automobielen zelfs wilde weren.'
De geest van hun makers waart nog rond. Nog tot eind januari. Dan gaan de auto's weer terug naar hun kasteel. In de tussentijd heeft de poetsploeg van het Louwman Museum de opdracht gekregen er met een grote boog omheen te lopen. 

 


Zo zien de zeven er uit in gewoon licht (foto's: Louwman Museum).

 

 

  Bekijk ook:

 

 

Keizerlijk paleis als laatste rustplaats  
 
In het paleis van Compiègne staan zo'n dertig auto's
uit de allereerste jaren van de autogeschiedenis.
Verslag van een museumbezoek.
 
maart 2018

 

Oog in oog met het prille begin
 
Een bezoek aan enkele plaatsen in Parijs
waar de autohistorie zichtbaar aanwezig is.
250 jaar geschiedenis trekken aan je voorbij.

november 2021