Expo-Mahy

Gent (B)  



●  Tijdelijke expositie
●  Reservecollectie Mahy      
●  Verwaarloosde auto's  
●  Potentieel waardevolle exemplaren
●  Auto's en anekdotes


oktober 2021
 

  


Parade van verweesd familiekapitaal     
 

Oude, verroeste, verwaarloosde en kapotte auto's in een oude fabriekshal. Zo neergeschreven niet iets om enthousiast over te worden. Hoe anders is de werkelijkheid. Een tijdelijke expositie in het Belgische Gent voldoet aan de omschrijving maar is de reis meer dan waard. Bijzonder en bizar, fascinerend en imponerend is deze show van lang vergane glorie. Met op de achtergrond het verhaal van een familie voor wie hobby, bevlogenheid en maniakale verzameldrift in elkaar overlopen.
 


Het artikel in een tijdschrift over een expositie van opmerkelijke auto’s en een bijbehorend fotoboek was niet eens erg uitgebreid. De naam Mahy werd echter genoemd en dat zorgde voor nieuwsgierigheid. In Gent, zo stond er, is een tijdelijke expositie ingericht van een aantal auto’s uit de reservecollectie van de familie. Na het bezoek aan Leuze-en-Hainaut van acht jaar geleden is direct duidelijk wat dit inhoudt: auto’s die al decennia lang wachten op een restauratie. Opgeslagen in tochtige en vochtige hallen, prooi van stof en vuil. Fotograaf Wouter Rawoens heeft een aantal van die auto’s voor zijn lens gezet en in beeld gebracht. Geen glimmende bolides, maar half vergaan industrieel erfgoed. Een aantal van die foto’s zijn samen met de auto’s twee maanden te zien in een oude, verlaten fabriek. Zorgvuldig neergezet en uitgelicht worden ze even onttrokken aan de schaduw van hun levenloos bestaan. Zelfs verwaarlozing kan hun charme en elegantie niet wegnemen. Er is een website ontwikkeld om de expositie te promoten. Een paar klikken waren voldoende voor het besluit dit met eigen ogen te willen bekijken.
Een week voordat de fabriekshallen weer worden ontruimd en de auto’s terugkeren naar de stilte van de opslag, staan we op zondagmorgen 24 oktober om half elf op de stoep van de Nieuwvaart in Gent. Het was de eerste buitenlandse rit met een auto die een paar maanden geleden nog niet bestond en waarvan het infotainment-systeem de berijder telkens verrast. Met swipen en herkenning van je stem tovert het scherm bedieningspanelen tevoorschijn waar je niet om hebt gevraagd. Het is nog wennen. Knopjes waar je op kunt drukken om iets te laten werken, zijn bijna verdwenen. Dat is misschien de enige overeenkomst met de auto’s die we zo meteen gaan zien. Voor de rest kan het contrast niet groter zijn.
 

De tijdelijke expositie is ondergebracht in een oud fabriekscomplex.

Het is de bedoeling dat hier straks creatieve, innovatieven bedrijven zitten.
 

Family of cars
Het eerste wat opvalt als we door de poort het fabrieksterrein op lopen, is een toiletwagen. Binnen zijn er kennelijk geen voorzieningen. De expositieruimte is een oude, leegstaande fabriek. De tijd dat hier mensen werkten, is al lang voorbij. Sinds twee jaar ontfermt projectontwikkelaar Revive zich over het complex. Hier moet een broedplaats van innovatie komen, met ruimte voor kleine bedrijfjes. Het gebouw krijgt een nieuwe bestemming. Sloop is geen optie. Een mooie parallel met de auto’s van Mahy. In 1860 werd het gebouw neergezet als een katoenspinnerij. Honderd jaar later werd het een onderdeel van de onderneming van de familie Vynckier, ‘wereldspeler in elektrisch schakelmateriaal’, zoals een bord vermeldt. Op weg naar de nieuwe bestemming wordt het bakstenen gebouw gebruikt voor tijdelijke tentoonstellingen. 
Twee maanden lang draait het om ‘a family of cars’. Het gaat over auto’s en tegelijkertijd over de Gentse familie Mahy. Vader Ghislain (1907-1999) en zoon Ivan (1937) waren hun leven lang in de ban van oude auto’s. Ze knapten samen, met hulp van enkele anderen, een paar honderd klassiekers op. Tweehonderd zijn te bewonderen in Autoworld in Brussel en driehonderd bij Mahymobiles in Leuze. De gehele verzameling groeide tot meer dan 1100 auto’s, in alle soorten en maten, van waardeloos tot waardevol. Er werd niets mee gedaan. Ghislain had het idee dat ze ooit nog eens zouden worden gerestaureerd. Een onrealistische gedachte. Ivan zette het werk van zijn vader voort, met een mengsel van verplichting en passie. Van geen enkele auto wilde hij afstand doen. Sinds 2015 voert kleinzoon Michel Mahy (1965) het beheer. Hij is realistischer. Met een breuk met zijn vader tot gevolg, heeft hij in 2018 zo’n 130 auto’s laten veilen, modellen die dubbel waren. Er was namelijk geen geld voor onderhoud en vernieuwing van het museum in Leuze, waar de laatste jaren niet meer dan 3000 bezoekers per jaar komen. De rest van de verzameling staat nog steeds opgeslagen. De auto’s houden een diepe winterslaap in vele loodsen. Totdat een aantal niet zo lang geleden wakker werd gemaakt om op de foto te gaan. Bijna veertig zijn nu naar Gent gebracht om aan het publiek te laten zien.
 

Foto's van Wouter Rawoens, ook op de expositie getoond, over de opslag van de reservecollectie Mahy.

Meer dan 1100 auto's telde de collectie voordat Michel een aantal verkocht.

Op een wand in de oude fabriek is een levensgrote foto van Leuze gespannen.
 

Bijzondere expositie
We hebben besloten de winterjassen aan te houden. Dat blijkt een wijs besluit. Een oude fabriek mist niet alleen toiletruimte, maar ook een comfortabele verwarming. Bij de ingang is een tijdelijke balie ingericht, daarachter een net zo tijdelijke uitgebreide koffiebar. Dat is mooi voor straks. De verwelkoming is vriendelijk. Onze via internet gekochte entreebewijzen worden gescand. De weg staat open om de bijzondere expositie te ondergaan. Direct naast de balie zet een Buchet uit 1923 meteen de toon. Banden heeft het wagentje niet. De lak vertoont een grove craquelé. Ghislain Mahy, zo lezen we, kreeg een tip voor het wagentje van Henri Malartre (1905-2005), een Franse verzamelaar van oude auto’s wiens nalatenschap nog steeds een museum in zijn vroegere kasteel is. Het is dan eind jaren vijftig. Mahy wilde het ding wel hebben. Het is een bijzonderheid, want de meeste Buchets zijn verloren gegaan.
De grote fabriekshal lonkt. Er is een route uitgezet die de bezoekers langs de bijna veertig auto’s en verscheidene fotopanelen leidt. Er is ruimte genoeg zodat ieder model als een kunstwerk alle aandacht kan krijgen. Bij elke auto ligt een informatiebord. Technische en historische achtergronden zijn gecombineerd met anekdotes over de manier waarop de auto in de collectie terecht is gekomen. We zijn niet de enige bezoekers. De publiciteit heeft haar werk goed gedaan. In zes weken tijd zijn al 10.000 bezoekers komen kijken naar deze parade van verweesd familiekapitaal.
 

Naast de ontvangstbalie staat een Buchet uit 1923.

Mahy kocht de auto van Henri Malartre die er niets meer in zag.

Tegenstellingen
Als eerste auto zien we een Renault Galion vrachtwagen. Met deze pick-up uit 1954 haalde Mahy zijn aanwinsten op, voornamelijk in Frankrijk en België. Hij kocht de wagen tweedehands (of meerdehands, wie zal het zeggen?) en monteerde zelf een open laadbak. Een zwart-wit foto van vele jaren terug toont de wagen in actie. Na vele jaren dienst verkocht Mahy de Renault, maar kocht hem later toch weer terug. Achterop staat een Le Zèbre D8 van 1928, gekocht van Malartre. Die zag er alleen nog schroot in. Daar wilde de Belg niets van weten. De filosofie van Mahy was dat iedere auto het verdient om bewaard te blijven.
Het is een expositie van verwaarloosde schatten, rariteiten en tegenstellingen. Dat is meteen al duidelijk. Bij een reusachtige twaalfcilinder Packard staat een Mochet, een wagentje met een tweetaktmotor van 100 cc en 3,5 pk. De fabrikant maakte eerder trapauto’s. Bij Mahy stond het wagentje onder een lekkend dak. Het roestbruin is dus authentiek roestbruin. De Packard is een combinatie van vooroorlogse techniek met een naoorlogs koetswerk. ‘Met een grille als een verwaarloosd gebit’, stelt de tekst bij de wagen treffend. Ooit won de auto een prijs: het was de lelijkste inzending van het concours. Ivan Mahy hoopte altijd nog een mooie carrosserie voor het chassis te vinden. Het bleek ijdele hoop.
 

Met deze Renault Galion haalde Mahy van overal zijn auto's op.

Op de zelfgemaakte laadbak was ruimte voor auto's, zoals deze ééncilinder Le Zèbre D8 van 1922.

Met een stang hing er nog een auto achter. Dit is een oude Renault.

Wat een tegenstelling: de imposante Packard en minuscule Mochet.

Ooit won de Packard een prijs voor de lelijkste auto van de show.

Mochet maakte eerst trapauto's voordat het op 'echte' auto's overstapte. Deze is van 1949.

Elegantie
Een aantal van de auto’s is in gerestaureerde staat een half of heel vermogen waard. Ze smeken erom door liefhebbende vaklieden onder handen te worden genomen. Tot nu toe is de smeekbede nooit verhoord. Zo’n Aston Martin DB 2 is in topconditie goed voor een kwart miljoen, zeker met als achtergrond dat ooit de jonge Koning Boudewijn van België achter het stuur zat.
Hoeveel een Maserati A6G 2000 GT met koetswerk van Allemano bij een veiling opbrengt, weet je nooit. Maar zelfs in deze staat zijn er vast genoeg liefhebbers voor te vinden. Niet meer dan 21 zijn er gemaakt. Het was Ivan die besloot de auto te kopen. Vader Ghislain had geen interesse in Italiaanse naoorlogse sportwagens. Onbegrijpelijk, want het stof en de verwaarlozing kunnen de elegantie niet verbergen. We zagen de wagen in 2008 in Leuze en toen al viel de fraaie vormgeving op. Datzelfde geldt voor de Chrysler Ghia ST van 1955. Niet meer dan een handjevol zijn er ooit gemaakt. Precieze aantallen ontbreken. Van dichtbij is de vormgeving nog mooier dan van een afstandje. In het goede licht van fotograaf Rawoens wordt dat bevestigd. Het dak heeft nog de originele kleur blauw, de rest van de carrosserie is overgespoten. Een liefhebber schijnt de auto voor enkele tonnen euro’s te hebben willen overnemen van Mahy. Op het bod kwam geen antwoord.
 

Een jonge Koning Albert zat ooit achter het stuur van deze Aston Martin DB2 van 1953.

In topconditie is zo'n auto een kwart miljoen waard.

Ondanks het vuil en het versleten interieur is de Maserati A6G 2000 GT (1954) een prachtige auto.

Allemano was verantwoordelijk voor de vormgeving van het koetswerk.

Net als alle andere auto's trekt de Maserati veel belangstelling van het publiek.

Een Italiaans-Amerikaanse combinatie, de Chrysler Ghia ST van 1955.

Het dak heeft nog de originele kleur blauw, al is het bedekt onder een laag vuil.

Hoeveel er zijn gemaakt, is niet zeker. Maar veel zijn het er niet geweest.

Fotograaf Wouter Rawoens toont de elegantie van het ontwerp.

De Chrysler en Maserati acht jaar geleden in Leuze-en-Hainaut.
 

Werkloze monteur
Bijna iedere auto vertelt zo een verhaal. Dat maakt de tentoonstelling extra bijzonder. De voorkant van een Voisin C24 van 1933 ziet er uit als een karikatuur van een ooit imposante verschijning. De radiator en koplampen zijn verdwenen. Mahy senior vond het ding lelijk. Helemaal ongelijk kunnen we hem niet geven. Daar ging hij zijn kostbare tijd niet aan verdoen. Er waren nog meer auto’s te restaureren. Hij schonk de wagen aan een werkloze monteur die de motor wel wilde opknappen. Na diens dood kreeg Mahy de auto in overgebleven onderdelen terug. Hij kon het niet nalaten er weer één geheel van te maken.
In deze hoek van de hal staan ook een Britse Allard uit 1953 en een Franse Facel Vega, allebei met een Amerikaanse V8-motor van respectievelijk Cadillac en Chrysler. De Facel kennen we wel, de Allard zie je veel minder vaak. De carrosserie is van aluminium, het daaronder liggende geraamte van hout. Dertig jaar bestond het bedrijf, van 1936 tot 1966. Zo’n 1900 auto’s werden in de jaren afgeleverd aan klanten. 1952 was een mooi jaar voor het merk, met een overwinning in de Rally van Monte Carlo.

 

De Voisin C24 van 1933 gaf Mahy weg aan een monteur die de schuivenmotor wel kon opknappen.

De wagen kwam terug en werd weer in elkaar gezet. Belangrijke onderdelen ontbreken echter.

Een Britse Allard, met een aluminium carrosserie op basis van een houten raamwerk.

Facel Véga HK500 (1960), een echte liefhebbersauto. Tien jaar heeft het merk bestaan.

De panoramische voorruit is een van de stijlelementen van dit type.

Lekkend accuzuur
Niet alle auto’s zijn even meeslepend. Bij een Ford V8 denk je toch dat een enkele reis sloop de meest voor de hand liggende bestemming is. De deur ligt er zelfs uit. De inrichters van de tentoonstelling hebben daar ongetwijfeld bewust voor gekozen, alsof ze willen benadrukken dat er toch ergens een grens is tussen bewaren en vernietigen. De auto is zichtbaar zwaar beschadigd. De familie is daar voor een belangrijk deel schuldig aan. De auto stond in het Wintercircus in Gent (waar Mahy zijn collectie aanvankelijk onderbracht) vlak bij een tafel waar ’s nachts de accu’s werden opgeladen. Het lekkende accuzuur kwam op de auto en verwoestte buiten- en binnenkant. Er is niets meer mee te beginnen. Zo’n Fordje loont de moeite van enige reconstructie niet eens. Dat gaat niet op voor de Volkswagen Kever Cabriolet Hebmüller, vandaag de dag in kenners- en liefhebberskringen hoog gewaardeerd vanwege de vormgeving en zeldzaamheid. Er zouden in de hele wereld niet meer dan honderd exemplaren zijn overgebleven. In goede staat moet je er toch een kwart miljoen voor neertellen.
 

Van de Ford V8 uit 1937 is niet veel meer over. Enkele reis sloop?

Accuzuur heeft zijn verwoestende werking gedaan.

Ondanks het ontbreken van bumpers en verkeerde achterlichten is zo'n Kever Hebmüller (1950) waardevol.
 

Maritieme elementen
In veel musea staan modellen van Delahaye te schitteren in de schijnwerpers. Hier staat een trio ook in het licht, maar van schittering is geen sprake. Dofheid is troef, al laten zelfs ontbrekende koplampen, missende onderdelen en verdwenen elementen de grandeur van vroeger niet helemaal verdwijnen. Alle drie zijn ze bijzonder. De 135M heeft een carrosserie van de Belgische vestiging van Vanden Plas, de 135MS is gemaakt bij Ghia-Aigle en het Brusselse bedrijf Oblin is verantwoordelijk voor het uiterlijk van de 148L. Misschien is schuldig in dit verband een beter woord. Opdrachtgever was een commandant van een zeeschip. Hij wilde maritieme elementen in zijn auto verwerkt zien. Dat verklaart de bijzondere neus met haaientanden. Op het stuurwiel schijnt een anker afgebeeld te zijn. Het meest in het oog springend is echter wel het plexiglazen koepeldak. Wie op de achterbank moest zitten, zat niet tweede, maar minimaal derderangs. Het zogeheten schoonmoederszitje was nog een overblijfsel uit de automode van voor de oorlog.
 

Vanden Plas - in dit geval de Belgische vestiging - is de ontwerper van de carrosserie van de Delahaye 135M (1947).

Oblin in Brussel bouwde op verzoek van een zeeman in 1947 deze opmerkelijke Delahaye 148L.

De grille met haaientanden, het plexiglazen dak en schoonmoederszitje zijn opvallende stijlelementen.

Het Zwitserse Ghia Aigle maakte in 1948 het koetswerk ontworpen door de Italiaanse studio van Ghia.

Ook zonder koplampen en glimmende grille blijft de oorspronkelijke schoonheid zichtbaar.

Spontane huilbui
Voor nog meer exclusiviteiten lopen we verder, de hoek om. Een Alfa Romeo 6C 2500 uit 1949 is door Ivan Mahy als schuurvondst aangekocht en via een koffer met bankbiljetten contant afgerekend. Verder dan een laag menie om de roest in te dammen, is het nooit gekomen. Het is hier niet te zien, maar de auto heeft maar drie wielen. Het linker voorwiel ontbreekt. Hiermee vergeleken ziet de Talbot-Lago T26 uit 1947 er heel wat beter uit. We herkennen ook deze auto uit het museum in Leuze. Het informatiebord meldt dat het merk direct na de oorlog van overheidswege niet meer dan 125 auto’s per jaar mocht bouwen. Die moesten dan ook nog allemaal worden geëxporteerd. Staal was op rantsoen en de fabrikanten van massaproducten kregen voorrang.
Bij de Talbot-Lago staat een onbekende, kleine blauwe sportwagen. Die lijkt als twee druppels water op een Bugatti, maar is door Maurice Badaroux in 1927 zelf gebouwd. Even verderop staat een echte Bugatti, een Type 23 Brescia uit 1922. Vader Ghislain wilde er niet aan, maar Ivan was trots er eentje op de kop te kunnen tikken. In deze staat krijgt elke Bugatti-fan spontaan een huilbui. Een Amilcar uit 1927 ziet er niet veel beter uit. Ivan en zijn broer Hans raceten in de grote tuin van het ouderlijk huis met twee auto’s die vervolgens op elkaar knalden. De Amilcar werd nooit meer opgeknapt. Er was immers nog zoveel ander werk te doen. Dat lot trof ook een Voisin C14, een typisch voorbeeld van de denkwijze van zijn maker die als vliegtuigbouwer functionaliteit boven vormgeving stelde. Bij de Autobleu is het juist andersom. Op basis van eenvoudige Renault Dauphine-techniek ontstond bij het bedrijf van Henri Chapron dit fraaie coupeetje. Zo’n 80 zijn er ooit van gebouwd, rond 10 zijn ervan overgebleven. Het is niet de eerste keer vandaag dat we een unieke auto een betere toekomst gunnen dan terug naar de hallen van Mahy.
 

Bij de Alfa Romeo 6C 2500 is het opknappen nooit verder gekomen dan een beschermende grondlak.

Het is niet te zien, maar de auto mist het linker voorwiel.

Een oude fabriek als decor: het is een passend geheel.

Een fraaie Talbot-Lago T26 uit 1947.

Vergeleken met veel van de andere auto's ziet dit exemplaar er goed uit.

Aan zo'n reserveband is nog wel eens te komen.

De Talbot is, net als de andere auto's, opgenomen in het boek van Michel Mahy en Wouter Rawoens. 

Een eenmalige eigenbouw, geïnspireerd door een Bugatti.

Zelfs de radiatorvorm met rood beeldmerk zijn ontleend aan het beroemde Franse merk.

Bugattisten zouden spontaan in huilen kunnen uitbarsten als ze dit zien.

De Amilcar uit 1927 werd beschadigd tijdens een botsing in de tuin van Mahy en is daarna nooit hersteld.

Voisin plaatste functionaliteit boven vormgeving. De C14 is van 1929.

Zo in het licht gezet, komen de basisvormen goed tot hun recht.

Een Autobleu (1958) schreeuwt erom mooi opgeknapt te worden.

Laat hier je eigen fantasie maar op los, zegt het informatiebordje. Daar blijft het bij.
 

Bewijsmateriaal
Voor de drie generaties Mahy is geld kennelijk geen grote drijfveer. Anders stonden hier geen vooroorlogse BMW 327, een Horch of Porsche 356 die op een veiling toch aardige bedragen zouden kunnen opbrengen. De echte waarde is moeilijk in te schatten. Liefhebbers vinden originaliteit vaak belangrijk en daarop is zo her en der nog wel wat af te dingen. Zo is de oorspronkelijke motor van de Horch vervangen door een veel zuiniger motor van een Britse Standard! Weg hoge waarde. In kennerskringen telt ook de historie van een individuele auto zwaar. Bewijsmateriaal is belangrijk. Niemand kan echter zeggen of de MG PB uit 1936 de auto is waarmee coureur Paul Frère successen behaalde. De vriend van Mahy kwam destijds geregeld kijken naar de collectie, maar is er nooit zeker van geweest. De sticker op de voorruit van een Minerva M6 daarentegen maakt de achtergrond een stuk inzichtelijker. De auto is gebruikt als representatieve wagen van de renstal van kolen- en staalbedrijf Charbon Acier. Ook de achtergronden van de Porsche zijn bekend. De eigenaar reed er twintig jaar mee, totdat de wagen het in 1972 begaf. In die tijd was herstel veel te kostbaar. Mahy nam hem graag over, na scherpe onderhandelingen. Op de techniek na was de auto bijna gaaf. Daar is niet veel meer van te zien. De blauwe kleur is trouwens niet origineel. De eerste eigenaar was het rood kennelijk op enig moment zat.
 

Een BMW 327/28 (1938) die Mahy in de jaren zestig kocht uit nostalgische overwegingen.

Net na de oorlog had Mahy zo'n auto als familieauto. Vanwege financiële problemen moest die toen worden verkocht.

Een fraaie Horch uit 1937, Duits topproduct van die tijd. 

Onder de motorkap ligt niet meer de originale krachtbron, maar een kleine motor van Standard.

Twintig jaar deed de Porsche dienst bij zijn eerste eigenaar, toen hield het op. De auto is van 1952.

Is dit exemplaar van de MG PB van 1936 de auto van coureur Paul Frère? We zullen het waarschijnlijk nooit weten.

Minerva was een Belgisch merk met aanzien. De 36TD is van 1936.

De achtergronden van dit model zijn bekend. De auto behoorde tot een ijzer- en staalbedrijf.

Woest
Eenkennig is de familie nooit geweest. Dat bewijst deze expositie. Vier wielen waren voldoende om enthousiasme op te roepen. In welke staat ook, auto’s moesten worden gered van een gang naar de sloperij. Bij een Austin A90 Atlantic uit 1950 kun je je afvragen of dat nog steeds geldt. Wie zou dit nog willen hebben, ook al zijn er nog maar enkele tientallen overgebleven? In een aantal gevallen kun je echter goed met de gedachte meegaan. Zo’n vroege bedrijfswagen van Panhard & Levassor bewijst het. Een ruïne op wielen, noemen ze het zelf. Dat is het ook. Toch ontstaat door de lens van Rawoens onder de lampen in de geïmproviseerde fotostudio in Leuze een bijzondere aantrekkingskracht. Dit is meer dan ijzer en hout voor de sloop.
Midden in de hal staat een Cadillac Sixty Special Fleetwoord uit 1956, door Fleetwoord omgebouwd tot begrafeniswagen. Ivan Mahy had de auto op de kop getikt. Hij vroeg zijn vrouw zijn aanwinst op te halen en ermee naar huis te rijden, want hij moest op dat moment zelf naar Brussel. Hij zou haar onderweg wel afzetten. Hij had wel gezegd dat het een Cadillac was, maar niet wat voor een. Zijn vrouw was woest toen ze ter plekke zag dat het om een lijkwagen ging, met ornamenten en een kruis op het dak. Nog woester werd ze toen onderweg bleek dat er niet genoeg benzine in zat om naar huis te gaan. Ze had bovendien haar tas in de auto van Ivan laten liggen. Toen die ’s avonds thuis kwam en zijn vrouw er nog niet was, ging hij ongerust op onderzoek uit. Ze stond ergens langs de kant van de weg, al uren te wachten op hulp. Het verhaal vermeldt niet hoe lang beiden niet met elkaar hebben gesproken.
 

Is zo'n Austin het nog waard om gerestaureerd te worden?

Een ruïne op wielen, noemen ze het zelf.

Toch is deze oude Panhard & Levasor op deze manier te mooi om te vernietigen.

De vrouw van Ivan Mahy werd gevraagd een Cadillac naar huis te rijden.

Het ging om een lijkwagen van Fleetwoord op basis van een Cadillac Sixty Special uit 1956.

Slotakkoord
De krakkemikkige oudjes hebben ons inmiddels al bijna anderhalf uur in hun greep. We maken het rondje af zonder heel veel tijd te besteden aan de Tatra T87 en Auto Union 1000SP. We kennen de auto’s en ze zijn ook geen onderwerp van leuke anekdotes. Ook aan oude video’s over Ghislain, Ivan en Michel besteden we niet veel aandacht. Er staan banken voor gasten die langer willen blijven kijken. De meeste beelden kennen we al. Een AMC Javelin vertegenwoordigt de Amerikaanse jaren zeventig. Het is een kind van zijn tijd met een grote motor (V8, zes liter, 220 pk), een overdreven vormgeving bij de voorspatborden en een vinyl dak.
Het slotakkoord is voor een Philos uit 1914, opnieuw een aankoop van Ghislain bij Malartre. Het verhaal gaat dat Ivan met de opgehaalde auto in Gent aankwam toen zijn vader bezoek had van de striptekenaar André Franquin, de geestelijke vader van Guust Flater. Zou daarom het wagentje van de stripheld hier zo sterk op lijken?
Het wordt tijd voor koffie. Met vloerbedekking en sfeervolle meubels is met succes een gezellige ruimte geschapen. Opnieuw stellen we vast dat de industriële omgeving perfect past bij deze expositie. Drie generaties Mahy bewijzen hun gelijk: koester het erfgoed en laat de mensen van nu genieten van wat er vroeger was. En het hoeft geen goud te zijn om toch mooi te blinken.
 

Een Tatra T87 (1943) met een achtcilinder motor achterin. De wegligging was belabberd en gevaarlijk.

Een Auto Union 1000Sp (1960), geïnspireerd door de Ford Thunderbird maar met een kleine tweetaktmotor.

Typisch een kind van zijn tijd, deze Amerikaanse AMC Javelin uit 1974.

Niets voor Ghislain, maar Ivan vond het mooi. 

De Mercedes-Benz 130H (1934) met motor achterin zagen we eerder in het museum in Leuze.

Een Philos uit 1914, door Mahy overgenomen van Henri Malartre.

Heeft dit wagentje model gestaan voor de auto van Guust Flater?

In de oude fabriek is een tijdelijk café geschapen.


 

 

   Bekijk ook: 

 

 

Wat moet je met een voorraad werk van een eeuw?
 
Bezoek aan Mahymobiles in Leuze-en-Hainaut
waar meer dan 1000 auto's staan opgeslagen
om ooit opgeknapt te worden.
 
oktober 2013