Petersen Automotive  Museum

Los Angeles (USA) 


●  Grote collectie klassiekers
  Veel auto’s in de opslag
  Originele filmauto’s
  Auto’s van beroemdheden
  Exposities Japanse auto’s en Porsche
 
 
oktober 2018
 

  


Een museum dat zijn schatten verstopt  
 

De collectie klassieke en bijzondere auto’s van het Petersen Automotive Museum in Los Angeles geldt als een van de belangrijkste van de Verenigde Staten. Het overgrote deel van de mooiste modellen staat echter niet in het museum maar in de opslag. Om herhaalbezoeken uit te lokken, zijn er voortdurend wisselende tentoonstellingen. Helemaal verborgen zijn de schatten niet, want er is een mogelijkheid onder begeleiding het depot te bezoeken en de collectie te bezichtigen. Verslag van een opmerkelijke kennismaking.
 


Na bijna vijf uur staan we weer buiten. Het is even over half vier. Zojuist is de rondleiding door de gigantische kelder van Petersen geëindigd. Tussen de middag hebben we lekker geluncht in het Italiaanse restaurant Drago op de begane grond. Vanochtend bekeken we op eigen gelegenheid het museum. Een gevoel van verwarring overheerst. Wat moeten we er van denken; hoe beoordelen we deze dag? Het was mooi wat we gezien hebben, zeker. De inrichting van het museum is buitengewoon goed verzorgd. De opstellingen zijn goed doordacht, de presentaties voorbeeldig en de toelichtingen zeer informatief. Het gebouw zelf is een blikvanger eerste klas nadat het architectenbureau Kohn Pederson Fox drie jaar geleden de buitenkant voorzag van een roestvrijstalen constructie. Honderd ton wegen de 308 delen van de ‘linten’ in totaal. De verbouwing kostte een slordige 125 miljoen dollar. Het uiterlijk is spraakmakend en vraagt erom gefotografeerd te worden. (Zowel Porsche als Mercedes hebben het museum in hun brochures gebruikt als achtergrond voor hun nieuwe modellen.) Met plezier hebben we de deeltentoonstellingen bekeken. De geëxposeerde auto’s waren beslist het aanzien waard. De rondleiding door de kelder was boeiend, mede door de ter zake kundige gids die wees op details die anders niet waren opgevallen. En toch klopt er iets niet. Het voelt alsof het Rijksmuseum de Nachtwacht en andere meesterwerken van Rembrandt, Frans Hals en Vermeer naar het depot heeft gebracht om een tijdelijke expositie in te richten over Van Meegeren of keramische tegels uit de middeleeuwen. Dat zulke tegels schitterend zijn en ook de meester-vervalser kunstwerken maakte, doet er dan niet zoveel toe. Evenmin dat je de Rembrandts alsnog in de kelder kunt bekijken. 

 

Een imposante hal en moderne opzet karakteriseren Petersen.


Zowel Mercedes-Benz als Porsche gebruiken het gebouw als achtergrond in hun brochures.

 

The Vault
Het management van het museum heeft een bewuste keuze gemaakt. Veel wisselende tentoonstellingen verhogen de kans dat mensen meermalen het museum bezoeken. Die bezoekers uit de wijde omgeving zijn commercieel interessanter dan de enkele autogek uit Europa die graag de topstukken wil zien. Het is begrijpelijk, maar toch. De belangrijkste auto’s uit de collectie zijn slechts te bekijken als vooraf tegen een forse meerprijs een rondgang door ‘The Vault’ (Het Gewelf) is geboekt. Daar staan ze dicht op elkaar, niet uitgelicht en zonder achtergrondinformatie. Het is tekenend dat verreweg de meeste auto’s die staan afgebeeld in de museumcatalogus, niet in het museum te zien zijn. Dat je een tijdelijke expositie gebruikt om bezoekers te verleiden opnieuw te komen, is gemeengoed in museumland. Dat een deel van de ruimte is afgestaan aan sponsoren, is ook nog acceptabel. Het is best leuk om te zien hoe een Maserati Levante is ontwikkeld en wordt gemaakt. Maar dat je pretendeert een gezaghebbend museum te zijn en vervolgens je collectie verstopt, roept toch vraagtekens op. Dat alles neemt niet weg dat Petersen een boeiende kijk biedt op verschillende facetten van de autohistorie en veel moeite doet de jonge generatie te boeien met interactieve presentaties en educatieve spelelementen.

 

Maserati is sponsor en laat zien hoe de Levante werd ontwikkeld en wordt gemaakt.

 

Warenhuis
Onze kennismaking begint om kwart over tien in de ochtend. De rit naar het museum heeft zo’n drie kwartier geduurd, terwijl de afstand slechts 10 kilometer was. Wie zich snel wil verplaatsen, moet niet met de auto door Los Angeles crossen. Parkeren is geen probleem. De parkeergarage maakt onderdeel uit van het museumcomplex, in 1962 neergezet als warenhuis en dertig jaar later door uitgever Robert Petersen aangekocht om er zijn autocollectie te exposeren. Dat het gebouw geen ramen had, was een groot voordeel. Zo werd voorkomen dat het felle zonlicht de tentoongestelde auto’s zou aantasten.
In de hal staan enkele typisch Amerikaanse hot rods, omgebouwde klassiekers met een geringe gebruikswaarde. De Blue Flash is gebaseerd op een Ford van 1929. De minieme bodemspeling maakt elk gebruik onmogelijk. De groene auto ernaast is een aangepaste Mercury uit 1951. De Outlaw, in 1959 gebouwd rond een V8 van Cadillac uit 1949, is ook echt een buitenbeentje. Je moet ervan houden. Verder zien we een handjevol Japanse modellen en wat Porsches, uithangborden voor de speciale tentoonstellingen.
 

Hot rods: de Amerikanen zijn er gek op. Volledig onbruikbaar als auto, maar wel een aandachttrekker.

Je moet ervan houden. Petersen deed dat zeker.

Ed Roth is artiest en bouwt bijzondere auto's. Dit is zijn eerste ontwerp.

De auto werd in 1959 gemaakt op basis van de techniek van een Cadillac van 1949.

Een Toyopet Crown, de eerste in Amerika geïmporteerde Toyota.

Dit model 70 is een van de eerste auto's met de merknaam Nissan.

Enkele Japanse auto's en wat Porsches staan in de hal ter gelegenheid van de tijdelijke tentoonstellingen.
 

Geschiedenisafdeling
Het museum omvat 25 galerieën, deelexposities, verdeeld over drie verdiepingen. De lift brengt ons naar de bovenste voor het begin van de rondgang. Hoewel aangeduid als de geschiedenisafdeling, staan er maar enkele echte klassiekers. Naast de allerminst verrassende  Benz uit 1886 - welk zichzelf respecterend museum heeft niet zo’n replica staan? – en een T-Ford, is dat een Smith uit 1900. Het is de oudste benzineauto die in Los Angeles is gemaakt en er is er maar één van. Centraal op de verdieping staan vijf paren van Amerikaanse en Japanse auto’s, gekoppeld aan een thema. Het eerste is Style. In de autowereld ontkom je dan niet aan de Italiaanse ontwerpers. Daarom staat er een bijzondere Chevrolet Corvette met een carrosserie van Scaglietti, de befaamde leverancier van Ferrari. Het was de bedoeling de auto op de markt te brengen voor rijke Amerikanen die een elegant Italiaans uiterlijk wilden combineren met de betrouwbaarheid van Amerikaanse techniek. Verder dan drie prototypen kwam het niet. General Motors wilde niet meewerken. Tegenover de Corvette staat een Japanse Prince Skyline coupé, getekend door het huis Michelotti.

 

In bijna elk automuseum kom je ze tegen: een replica van de Benz 1886 en een Ford Model T.

Deze Smith (1900) is de eerste auto met benzinemotor die in Los Angeles werd gemaakt.

Een Chevrolet met een Italiaanse carrosserie. De bedoeling was een serieproductie, maar zover kwam het niet.

Michelotti ontwierp voor Prince (later overgenomen door Nissan) deze Skyline.

De achterkant is typisch voor Italiaanse ontwerpen in die periode.

Deze Fiat 1400 werd door Vignale in 1951 van een koetswerk voorzien.

De auto ziet er uit als nieuw, ook aan de binnenzijde.

Filmauto’s
Bij het thema Innovation gaat het niet om de buitenkant maar om de techniek. We zien een Chevrolet Vega met een Cosworth-motor en een Mazda R130 met de destijds revolutionaire draaizuiger krachtbron (de Wankelmotor). Een geschikte verbeelding van Freedom vindt het museum de Amerikaanse Corvette Sting Ray en de Japanse Datsun 1600, voortgekomen uit de Fairlady. Een Suzuki LJ20 en Jeep CJ5 geven invulling aan Utility. Het laatste thema is Distinction met de unieke open versie van de Toyota 2000GT uit de James Bond-film You Only Live Twice tegenover een omgebouwde Ford Mustang met namaak zebra-leren zijkanten, gebruikt in de film Marriage on the Rocks.
Er staan meer originele filmauto’s op deze verdieping. Een hele rij bij elkaar, van Herbie de Kever tot Back to the Future’s DeLorean en van de Plymouth Fury-stuntcar uit Christine tot de Batmobile.

 

Het thema innovatie wordt uitgebeeld door een Chevrolet en Mazda.

Vrijheid als thema in de autowereld, met de Datsun 1600 en Chevrolet Corvette.

De Corvette Sting Ray van 1969. 

Een Japanse en Amerikaanse interpretatie van een terreinwagen voor vrijetijdsbesteding: Suzuki en Jeep.

De Toyota 2000GT in cabrioletvorm is alleen gemaakt voor de James Bond-film.

In twee weken tijd werden twee coupés omgevormd tot cabrio's.

Je kunt hier nauwelijks meer een Ford Mustang in herkennen. De wagen werd gemaakt voor Nancy Sinatra.

In het kader van de historie staan ook nog verdwaald een oude motorfiets en scooter tentoongesteld.

Petersen heeft op de bovenste verdieping een afdeling met originele filmauto's.

De authentieke DeLorean uit de film Back to the Future, met alle apparatuur van de professor.

Een Batmobile uit de Batman-film en de Hot Rod die gebruikt werd in de eerste film van Iron Man.

Een Duesenberg-replica uit 1984 van de film The Great Gatsby.

Dream cars
Even verderop stelen drie concept cars en prototypen uit het midden van de jaren vijftig de show met hun opmerkelijke uiterlijk. De groene Plymouth Explorer was een zogeheten dream car van Chrysler, door Ghia ontworpen om ideeën op te doen voor latere seriemodellen. De Storm Z-250 naar een ontwerp van Bertone was bedoeld voor klanten die door de week een mooie coupé wilden rijden, maar in het weekend aan races wilden meedoen. Voor die situaties schroefden ze de carrosserie van het chassis om er een ander op te zetten. Hoe ingenieus het idee ook lijkt, er was geen markt voor. Met de bruine Mercury D-528 concept car testte de fabrikant nieuwe ideeën op het gebied van veiligheid, verlichting, airconditioning en ontwikkeling van het onderstel. In alle gevallen gaat het om eenmalige auto’s. Het zijn dergelijke bijzondere modellen waar de liefhebber voor naar het museum gaat.

 

De Plymouth Explorer uit 1954 is een zogeheten dream car van Chrysler.

 

Met dergelijke modellen werden toekomstige stijlelementen getoetst aan de mening van het publiek.

Dodge Storm 1953, getekend door Bertone.

Het idee was origineel: verwissel de carrosserie en je kunt de wagen gebruiken voor races.

Een concept car van Mercury uit 1955.

In de auto zaten allerlei noviteiten om uit te proberen voordat ze hun weg vonden naar seriemodellen.

Het voor Amerikaanse begrippen zeer strakke en sobere dashboard van de toekomstauto. 
 

Industrialisatie
Via een brede wenteltrap – onderdeel van de renovatie van 2015 – komen we een verdieping lager. Hier is het thema industrialisatie, waarbij de onderwerpen van de verschillende deelexposities in elkaar overlopen. Een van de deelthema's is energie. We ervaren dat energiebronnen als elektriciteit en waterstof al decennia terug werden uitgeprobeerd als alternatief voor benzine. Mogelijk is voor de toekomst zonne-energie een uitkomst. Dan moeten de vervoermiddelen wel praktischer worden dan zo'n rijdende sigaar.
Er is meer te zien dan de alternatieve aandrijvingen. Een schitterend duo bijvoorbeeld: de klassieke Ford GT40 (door Ford in de jaren zestig gemaakt om Ferrari te verslaan op Le Mans) en de moderne versie daarvan. De klassieker is trouwens de straatvariant die ooit eigendom was van sterdirigent Herbent von Karajan.
Naast de gesponsorde bijdrage van Maserati ligt het accent op Japanse auto’s. Een unieke Dome uit 1978 voert een trio supercars aan. Van dit model is er slechts één gemaakt, de Honda en Nissan erachter waren serieproducten. Hoewel bewonderd vanwege hun kwaliteiten, zijn de Japanse merken er nooit goed in geslaagd door te dringen in de wereld van de gevestigde merken van supersnelle sportwagens. Elders op deze verdieping staat het bewijs dat op het circuit en bij races de auto’s uit het Oosten niettemin hun partijtje hebben meegeblazen.
 

De elektrische auto die General Motors op de markt bracht en er een paar jaar laten weer weg haalde.

Galt 1914, een benzine-elektrische hybride. Rechts de opmerkelijke richtingaanwijzers.

Elektrisch rijden is helemaal niet nieuw, laat deze Detroit zien.

Al in 2002 bood Honda een model met brandstofcel aan (rechts). Meer dan een handjevol werden er niet gemaakt.

Het onderstel van een Tesla.

Toekomstmuziek: voortstuwing op basis van zelf opgevangen zonlicht?

Het museum heeft de originele GT40 naast het nieuwe model uit 2017 gezet.

De wegversie van de Ford GT-40 uit 1967. De racewagen was ontworpen om Ferrari te verslaan bij de 24-uur van Le Mans.

Superauto's uit Japan: een Honda NSX en Nissan.

De Dome is een eenmalige supercar uit 1978.

De techniek is afkomstig van een Nissan 280Z.

Prototypen/conceptcars van Infiniti, links een model van 2017, rechts van dit jaar.

Het winnende conceptmodel voor een nieuwe Mazda RX-7, in 1993 tot stand gekomen.

Japanse rally- en raceauto's vullen de andere thematentoonstelling aan.

Japanse auto
Het grootste deel van het vloeroppervlak is bestemd voor de tentoonstelling over de ontwikkeling van de Japanse auto. De zaal is mooi ingericht, met veel ruimte om de auto’s heen. Ze staan er te glimmen als ware kunstwerken. Voor veel bezoekers aan Petersen zijn het vast verrassende modellen die ze nooit eerder hebben gezien. Sommige zijn misschien wel voor het eerst op Amerikaanse bodem. Voor ons is het vooral een feest der herkenning, met herinneringen aan het bezoek aan het Toyota Automobile Museum in april 2016. Goed kans dat het voor een deel zelfs om dezelfde auto’s gaat. We blijven hier niet lang hangen en schenken alleen aandacht aan de twee die we in Japan niet zijn tegengekomen: een Datsun uit 1937 en een licht gekleurde in plaats van zwarte replica van de Toyoda AA 1936.

 

Een hele zaal is gewijd aan de historie van de Japanse auto.

Een Datsun 16 Coupé uit 1937.

Zoals de meeste vroege Japanse auto's is de Datsun opvallend smal.

Replica van de eerste auto van Toyota, de Toyoda (nog met een d) AA.

Bij de ontwikkeling was goed gekeken naar de Chrysler Airflow.

Hino bouwde de Renault 4CV in licentie.

Tweehonderd van deze ultra lichtgewicht Flying Feathers werden in 1954/1955 gebouwd.

Het wagentje bleek geen succes.

Slechts 85 exemplaren van de Fujicabin 5 A werden in 1955 gemaakt.

De Fuji had maar één lamp, een kunststof carrosserie en een eencilinder tweetakt motor van 121cc.

Met de Mazda R360 zette de fabrikant uit Hiroshima de eerste stappen met personenwagenproductie.

Vooraan de Mitsubishi 500 uit 1961.

In 2016 zagen we auto al in het Toyota Automobile Museum.

Het eerste productiemodel van Suzuki, de Suzulight (1957).

Nissan Silvia 1966, gebaseerd op de Fairlady.

Fraaie strakke lijnen kenmerken deze kleine coupé.

De Toyota 2000GT als coupé en achterin de Mazda Cosmo.

Porsche
Een verdieping lager is er nóg een tijdelijke expositie, gewijd aan Porsche. Hiervoor geldt hetzelfde als voor de Japanners: fraaie modellen die op aantrekkelijke wijze worden gepresenteerd maar weinig nieuws bieden. De exclusieve vierdeurs Porsche 928 zagen we eerder in het fabrieksmuseum in Stuttgart, net als de 917 racewagen en de verschillende varianten op basis van de 356 en 911. Niettemin is er een kleine verrassing: een grijze cabriolet met als typenaam Continental. De New Yorkse Porsche-importeur vond het beter de sportwagen in Amerika een naam te geven in plaats van een getal. Al snel volgde een protest van Ford, dat de typenaam had vastgelegd voor een eigen model. Continental werd European en snel daarna gewoon 356. De gouden letters op de flanken maken van een ogenschijnlijk bekende verschijning toch nog iets bijzonders. De auto maakt deel uit van de eigen collectie van het museum.
Tot besluit van onze rondgang zien we op de begane grond nog een aantal auto’s waarvoor het woord bizar nog te gewoon is. Het gaat om kunst, waarbij creatieven hun innerlijke gevoelens op basis van auto’s tot expressie hebben gebracht.

 

Een tijdelijke tentoonstelling over Porsche.

Een Amerikaanse 356 links en rechts een 911.

De 356 behoort tot de eigen collectie. 

Voor de Amerikaanse markt werd de naam Continental bedacht, maar Ford protesteerde.

De 356 en 911, twee iconische modellen van het merk.

Een vroege Targa, waarvan het achterste dakdeel nog kon worden neergeklapt.

Een Porsche 550 Spyder van 1955 en een Carrera GT van begin deze eeuw.

Een eenmalige creatie: een 928 met vier deuren. Afkomstig van het Porsche Museum in Stuttgart.

Porsche Carrera 6 en de beroemde 917.

Gekker is nauwelijks mogelijk. De kleurrijke bol in de kofferbak draait rond.

Humor is de maker niet vreemd.

De Hot Rod uit 2001 was oorspronkelijk een Ford 1932. Rechts een Kenworth-cabine op een Ford-chassis, gemaakt in 1970.

Dit kunstwerk uit 1964 heeft de klinkende naam Orbitron.


Depot
Als aanvulling op het museumbezoek van vanochtend, is het tijd om de verstopte collectie te gaan bezichtigen. Petersen biedt verschillende opties: een korte rondleiding van vijf kwartier en een langere van twee uur. Al maanden geleden hebben we via internet kaartjes voor de lange toer gekocht. De groep bestaat uit acht man en één vrouw. Bij aanvang spreekt gids Andy ons vriendelijk doch streng toe. Het is ten strengste verboden foto’s of films te maken, de afstand tot de auto’s moet minimaal een meter blijven en het is niet de bedoeling op je eentje in het depot te gaan rondzwerven. Voor alle zekerheid en extra oplettendheid gaat een geüniformeerde bewaker mee, alsof we de goudvoorraad van Fort Knox gaan bekijken. Het komt overdreven over, zeker als je weet wat er in andere automusea aan waarde staat. De lichte ergernis verdwijnt snel als de man ons enthousiast en deskundig langs de geparkeerde auto’s voert. Petersen Automotive Museum overdrijft niet in de bewering een rijke en bijzondere collectie in huis te hebben. Dat klopt. Hier in de kelder staan er 250, naast elkaar geparkeerd als in een parkeergarage van een drukke stad. Zelfs de gangpaden zijn niet vrij. De veelzijdigheid is groot: van massaproducten tot unieke exemplaren, met nadruk op de laatste. Neem alleen al de auto’s van de wereldleiders. We zien de Lincoln van president Nixon, volledig voorzien van kogelvrij glas, behalve bij de voorruit. Een kogel zou de ruit ondoorzichtig maken waardoor de chauffeur niet meer kon rijden. Op de verbaasde blikken van zijn gasten dat een getroffen chauffeur ook niet erg hard meer rijdt, heeft de gids ook geen antwoord, moet hij toegeven.
 

De rondleiding door de opslagruimte wordt gepromoot in de hal.

 

Gepantserd
De auto’s voor de groten der aarde zijn omgeven met mooie verhalen. Voor het bezoek van Paus Johannes Paulus II aan Mexico werd een Cadillac omgebouwd tot pausmobiel. Kosten: 900.000 dollar. De paus vond de auto prachtig. Zijn beveiligers niet. Ze beoordeelden de open auto als onveilig en de kerkleider heeft er nooit in gezeten.
Voor de Russische regeringstop stonden limousines van ZIL klaar om hen te vervoeren. Sovjet-leider Chroesjtsjov had er niet veel mee op. Hij koos dikwijls voor de kleinere Tchaika. Die auto staat nu hier in de kelder in Los Angeles. Ernaast staat de gepantserde Mercedes-Benz SEL van de gevreesde Filipijnse leider Ferdinand Marcos. Ook Saddam Hoessein had een Mercedes en wel een 600 Pullman Cabriolet. Deze auto was niet gepantserd. Hij vertrouwde erop dat niemand in zijn land het in zijn hoofd zou halen of de kans kreeg een aanslag te plegen. De auto is nog volledig origineel. De ster op de radiateur ontbreekt en in de motorkap zit een deukje. Dat wordt zo gelaten.
Onze gids wijst op een auto van de Chinese leiders, een Hongchi. De kwaliteit van de lak is erbarmelijk. Zelfs de partijtop kon geen aanspraak maken op kwaliteit. De Chinezen konden gewoon geen betere auto maken in die tijd.  
Een witte Chrysler Imperial uit de jaren vijftig is veelvuldig gebruikt door de presidenten Eisenhower en Nixon. Chrysler wilde de auto aan het Witte Huis schenken, maar dat was tegen de regels. De auto bleef in eigendom van de fabriek, maar werd ‘uitgeleend’ op alle momenten dat de president erom vroeg. Er zijn heel wat ritten van Detroit naar Washington en terug mee gemaakt.
 

De Chrysler die veel werd gebruikt door het Witte Huis, maar eigendom van de fabriek bleef (foto: Rex Gray)

Citroën
In de ondergrondse ruimte staan opvallend veel Franse auto’s. Dat is niet toevallig. Leider van het museum is tegenwoordig Peter Mullin, gek op de topmerken en alledaagse modellen uit Frankrijk. Een deel ervan staat in zijn eigen museum in Oxnard, waar ook een depot is gevestigd. Kennelijk is dat vol, want een aantal van zijn auto’s staat hier. We zien veel Delahayes, Delages en Voisins, waaronder een model uit 1949, het laatste productiejaar. Er staan verschillende Citroëns Traction Avant, onder meer een exclusieve cabriolet. We zien verder een M35 (de Ami coupé met Wankelmotor), een 2CV Sahara met twee motoren en vierwielaandrijving, een paar gewone ‘Eenden’, een Ami 6 en DS. Andy gaat uitgebreid in op deze voor zijn Amerikaanse gasten onbekende auto’s. Als aanvulling op zijn verhaal kunnen wij nog vertellen over de 2CV als symbool van de geitenwollensokkengeneratie. Dat dergelijke auto’s bij ons gemeengoed waren in de jaren zestig en zeventig vinden ze maar vreemd in Amerika.
Wij daarentegen staan weer raar te kijken bij de hot rods, voor ons toch randverschijnselen in de autowereld. Grondlegger Petersen dacht daar toch echt anders over en veel Amerikanen met hem. Ze worden door onze groepsgenoten stuk voor stuk nauwkeurig als ware kunstwerken bestudeerd. Een curieus ombouwwerkje is ook een Chevrolet El Camino met een staartstuk van de Cadillac 1959.

 

 


PETERSEN AUTOMOTIVE MUSEUM

Petersen Automotive Museum dankt de naam aan initiatiefnemer Robert E. Petersen (1926-2007), oprichter en uitgever van het blad Hot Rod (1948) waaruit het tijdschriftenconcern Petersen Publishing ontstond. Naast veel autogerelateerde bladen – waaronder Motor Trend met tegenwoordig meer dan 1 miljoen lezers – gaf het bedrijf een scala aan titels uit. Als hobby brachten Petersen en zijn vrouw Margie een collectie auto’s en antieke wapens bijeen.
In 1994 werd het museum geopend, met een inbreng van een deel van Petersens eigen collectie voertuigen en die van het National History Museum van Los Angeles.
Het gebouw was aanvankelijk een warenhuis, neergezet in opdracht van het Japanse bedrijf Seibu. Dat wilde de Amerikaanse markt veroveren, maar verkeek zich op de belangstelling. Twee jaar na de opening in 1962 gingen de deuren al weer dicht. Tussen 1965 en 1986 was het opnieuw een warenhuis, dit keer van Ohrbach. In 1992 kocht Petersen het gebouw om het als museum in te richten. In 2015 volgde een grondige renovatie. Het uiterlijk veranderde drastisch met een nieuwe gevel. Binnen werd meer flexibiliteit gecreëerd voor tijdelijke exposities.
In 2011 ontving het museum een gift met een waarde van 100 miljoen dollar van Petersens weduwe en de Stichting die Petersen en zijn vrouw hadden opgericht. Onderdeel van de gift was een groot deel van de autocollectie van het echtpaar. In totaal doneerde Robert en Margie in de loop der jaren zo’n 135 auto’s.
Wilshire Boulevard in Los Angeles was – in de jaren twintig – de eerste shopping mall ter wereld, met naast elkaar gesitueerde warenhuizen met aan de achterzijde een parkeergarage.

 

 


Elvis Presley
Andy schudt de feiten moeiteloos uit de mouw. Hij weet alles over cilinderinhoud, vermogen, historie en eerdere eigenaren. “Kijk, die DeTomaso Pantera is van Elvis Presley geweest en die Cadillac uit 1953 van Rita Hayworth. In deze Jaguar XK SS heeft Steve McQueen gereden”, zegt hij, daaraan het verhaal koppelend over de brand in de Jaguarfabriek waardoor de XK SS’en zo zeldzaam en waardevol zijn geworden. Hij wijst op een unieke Porsche 914 met een achtcilinder motor en even later op een goudkleurige DeLorean. Het blijkt geen verf, maar echt goud. Bij wijze van promotie van credit cardmaatschappij American Express stond de wagen in 1981 in de Kerstmis-cadeaucatalogus. Prijs: 85.000 dollar. Een Texaanse bank deed zichzelf er één cadeau en zette de wagen in de hal van het bankgebouw. Tot 2003 bleef de gulden DeLorean daar, waarna de auto een museumstuk werd. 
 

Het museum voor en na de grondige renovatie van 2015.

Superhelden
Natuurlijk heeft Petersen ook Ferrari’s en Maserati’s in de kelder staan. Sterker nog: de allereerste sportwagen die Ferrari bouwde, staat hier. Van recenter datum zijn een Jaguar XJ220 en Bugatti EB110, de superhelden van hun tijd. Een Tucker staat wat weggestopt in een hoekje alsof het zomaar een Amerikaanse auto is geweest. Het is fantastisch om hier rond te lopen, maar keer op keer vraag je je af: waar heb je een museum voor als je dit in de kelder laat staan? Ze zijn aardig hoor, de Jeep en Suzuki die we eerder vandaag boven zagen, maar geen museumstukken. Dit wel. Op de vraag komt geen goed antwoord. Ook Andy komt niet verder dan de verklaring van het beleid om wisselende tentoonstellingen te hebben om steeds nieuw publiek te trekken. Bovendien gaat een aantal auto’s geregeld naar shows, zodat het publiek er kennis mee kan maken. Echt bevredigend klinkt het allemaal niet.
 


Ronde deuren
Tot besluit van zijn rondleiding neemt hij ons nog even mee naar de garage. Daar staat een Rolls-Royce Phantom I met een carrosserie van Jonckheere. Karakteristiek zijn de bijna ronde deuren, de schuin geplaatste radiator, de dubbele schuifdaken en de staartvin. De Phantom werd aanvankelijk in 1925 afgeleverd als cabriolet, gemaakt bij Hooper. In 1934 liet een volgende eigenaar het koetswerk vervangen door dit van de Belgische carrosseriebouwer. In de loop der jaren wisselde de auto verschillende keren van eigenaar en van kleur. Op enig moment was de Rolls goudkleurig. Na vele omzwervingen over de wereld kwam de auto in 2001 bij Petersen.
Deze laatste auto van de rondleiding is symbolisch voor deze boeiende, maar wat verwarrende dag. De Rolls-Royce siert nota bene het omslag van de museumcatalogus, maar is niet te bezichtigen door de gewone bezoeker die geen dertig dollar neertelt voor de extra toer door de kelder. Een kaartje kopen voor het Rijks maar moeten afzien van de Nachtwacht…