Uit de oude doos


● 
Niet meer bestaande musea en fabriek
●  Collectie Riemer - Driebergen
●  Autotron - Drunen
●  Nationaal Automuseum - Leidschendam
●  Provinciaal Automuseum - Houthalen
●  Renault Museum - Parijs
●  Conservatoire Arts et Métiers - Parijs
●  Ford-fabriek - Amsterdam


mei 2010
 

  


Herinneringen bij plaatjes van lang geleden


Lang voordat het woord website bestond, lang voor de komst van de digitale camera, in de tijd van fotorolletjes met 12, 24 of 36 opnamen, waren er al automusea die de historie van de auto presenteerden aan iedereen die er interesse voor had. Het geheugen is mijn belangrijkste informatiebron over die tijd. Reisverslagen zoals nu maakte ik nog niet. Foto's niet of nauwelijks. In oude albums zitten nog wel ingeplakte ansichtkaarten. In de boekenkast staan wat oude museacatalogi. Daar moeten we het mee doen, als aanvulling op het geheugen. Veel van de musea zijn immers inmiddels verdwenen. De plaatjes uit de oude doos halen goede herinneringen naar boven. Ze helpen de voorbije tijden toch nog een beetje te laten voortbestaan. 
 

Oude ansichtkaarten van het IVA waar vroeger het museum van Riemer was gevestigd.

Het zal midden jaren zestig zijn geweest. Achter een villa in de Buntlaan in Driebergen had Geerlig Riemer, oprichter van het Instituut voor de Autohandel, een automuseum ingericht. Later zou de collectie samengaan met die van Evert Louwman en verhuizen naar Leidschendam. Op dat moment vond Riemers hobby nog onderdak in een schoolachtig gebouw. Antieke auto’s stonden in een grote zaal. Sommige langs de kant, andere in het midden. Bij binnenkomst was er een winkeltje. Daar verkocht men onder meer overjarige autobrochures, vier voor een gulden. Op de bruine envelop stonden alle mogelijke merknamen en een vinkje van een viltstift (een nieuwe vinding) gaf aan van welke merken er brochures in zaten. Zo wist je niet precies wat je kocht, maar wel een klein beetje. De envelop is nog jaren bewaard gebleven, maar heeft op enig moment toch de weg naar de prullenbak gevonden. Het geheugen schiet tekort om het kwartet brochures te reproduceren. Er zat in elk geval een boekje van de Volkswagen Kever bij. Dat is er nog steeds. Verder kochten we enkele ansichtkaarten. Ze geven nu een heel bescheiden impressie van de tentoonstellingsruimte en enkele modellen. Tegen de wand stond een vroege Benz. De auto maakte toen veel indruk, onder meer door de grootte. De wielen waren indrukwekkend voor een kind van lagere schoolleeftijd. Zo heette dat toen nog: de lagere school.
 

Een zwart-wit ansichtkaart van de Benz 1894, ontdaan van zijn baldakijn.

Ook van deze Benz Velo 1893-1894 werd een zwart-wit ansichtkaart verkocht.

Collectie Riemer
Enkele bijzondere en belangrijke historische modellen uit Riemers collectie waren oude Spykers. Op een houten bordje op de grond stonden de belangrijkste gegevens. Het museum zette ze op de foto om er ansichtkaarten van te maken. Bij één van de twee lezen we: "Spijker, 1902, 4 wiel aandrijving, eerste 6 cyl. ter wereld". De spelling Spijker met een ij in plaats van een y is merkwaardig. De auto's van de gebroeders Spijker werden immers vanwege de export als Spyker aan de man gebracht. Inmiddels weten we ook dat het jaartal 1903 moet zijn.
De auto was jaren later te zien in het Autotron van verzamelaar Max Lips. Met weinig oog voor historische correctheid werd de unieke wagen opgeknapt en in vrolijke kleuren geschilderd. Toen Evert Louwman de eigenaar werd, liet hij hem door de beste vaklieden zo nauwkeurig mogelijk in de oorspronkelijke staat terugbrengen. Alleen de koeling werd aangepast om de auto in staat te stellen aan langere ritten deel te nemen. De gebroeders Spijker hadden het probleem destijds wel onderkend, maar onvoldoende opgelost.
 

Ansichtkaarten met beelden van het museum. Rechts de Benz 1894 mét baldakijn.

Spyker met zes cilinders en vierwielaandrijving en een model uit 1907 dat later gedateerd zou worden als 1906.

Bommel
Een tweede ansichtkaart toont een vierzits Spyker. Het bordje vermeldt 1907, terwijl we er vandaag de dag van uitgaan dat 1906 correcter is. Een derde Spyker in Driebergen was een kleine rode tweezitter, een 7 pk prototype uit 1912. Het wagentje kreeg in brede kring bekendheid doordat Marten Toonder, de geestelijke vader van Tom Poes en Olivier B. Bommel, hem gebruikte als vervoermiddel voor zijn striphelden. Later kreeg de auto een prominente plaats op het omslag van de museumcatalogus van de Louwman-verzameling (zie hieronder) en op een museumpenning.
In Driebergen stond ook een auto met opvallende achterwielen, waarin de vering was verwerkt. De vinding bleek geen succes. De achterwielen werden er te zwak door en maakte de auto instabiel. Lange tijd is de auto aangeduid als een De Dion Bouton; tegenwoordig wordt aangenomen dat het om een Georges Richard Brasier zou gaan. De auto behoort al lang niet meer tot de collectie van Louwman.
 

De Georges Richard Brasier werd lange tijd als een Dion Bouton aangemerkt.
►lees meer over de achtergronden van de rechterfoto

Nationaal Automuseum
Na de samenvoeging van de collecties van de IVA-oprichter en verzamelaar Louwman werd mijn reisdoel Leidschendam. Met de tienertoerkaart van de Spoorwegen en aansluitende busverbinding was de Veursestraatweg een gemakkelijk te bereiken bestemming. Bij de kantoren van importeur Louwman & Parqui was een grote hal gebouwd, het Nationaal Automobielmuseum. Het bedrijf importeerde al decennia lang auto’s, maar had zich nu gestort op twee onbekende merken uit het verre Japan, Toyota en Suzuki.
In de museumhal stonden rijen old timers, tamelijk fantasieloos neergezet op een vloer van stoeptegels. Toch was het geheel razend interessant. Sommige auto’s kende ik nog uit Driebergen. Maar dit museum was zoveel groter! Als herinnering voor thuis was er een catalogus met in zwart-wit een overzicht van de meeste modellen. Behalve auto’s stonden er ook koetsen en motorfietsen. De imposante Bikkers stoomauto maakte indruk. Dat doet-ie in het huidige Louwman Museum nog steeds.
Het museum in Leidschendam kreeg in 1975 een nieuw onderkomen. De auto's stonden voortaan in een sfeervolle omgeving. In de boekenkast staat geen nieuwe catalogus, maar in het album zitten wel enkele gekleurde kaarten met het nieuwe pand op de achtergrond. In 1981 verhuisde Louwman & Parqui naar Raamsdonksveer. Het museum verhuisde mee. Verschillende keren bezochten we de nieuwe locatie (zie ook de reisverslagen). Steeds werd de collectie omvangrijker. 
 

Op de catalogus van het Nationaal Automobielmuseum stond een Spyker.

Een nog jonge Evert Louwman bij het transport van de auto's uit de Riemer-collectie naar Leidschendam.

De 7 pk Spyker uit de Riemer-collectie, bij aankomst in Leidschendam.

Overzicht van de tentoonstelling in de hal achter de kantoren van Louwman & Parqui in Leidschendam.

Ansichtkaarten van een Spyker en Aston Martin voor het nieuwe gebouw van het museum in Leidschendam (1975).

Oude (slechte) foto's van toen het museum net was verhuisd naar de nieuwe locatie in Raamsdonksveer.

In het nieuwe museum kregen de modellen van Spyker een prominente plek. Hier de 14/18 pk uit 1906.

Een Spyker vrachtwagenchassis (1921) en een prototype voor een klein model uit 1912.

Een gekke auto met een gekke naam: L.S.D. uit 1923 en een Bugatti 57 Ventoux 1934.

Ansichtkaarten van modellen die al tot de collectie van Riemer behoorden: Panhard & Levassor 1912 en Grégoire 1909.

Houthalen
Het bezoeken van buitenlandse automusea is iets van de laatste twee decennia. In de jeugdjaren was er echter één reisdoel voorbij de landsgrenzen, al was het slechts enkele tientallen kilometers ver. In de bosrijke omgeving van het Belgische plaatsje Houthalen bevond zich vanaf 1970 een museum, speciaal gebouwd voor de collectie van de Belgische verzamelaar Mahy. De opzet was modern. Tegenwoordig is beleveniscommunicatie een kernbegrip, waarbij auto's in de sfeer van hun tijd worden gepresenteerd. Het museum van Houthalen had dat allemaal niet. Er waren verschillende zalen met in het midden een soort binnentuin, waardoor er overal daglicht was. Ook de pers van toen was er lovend over. Het grote aantal klassiekers van Mahy liet de ontwikkeling van de auto mooi zien, waarbij modellen van Belgische fabrikanten extra aandacht kregen. Er waren merken die in Nederlandse musea ontbraken, zoals Minerva, FN, Vivinus en Lacroix de Laville. Wat een indrukwekkende naam, dacht je toen. Zo'n merk vergeet je nooit meer. Een blikvanger van de eerste orde was een ijscowagen op Chevrolet-onderstel. Geen artikel over het museum of de auto stond op de foto. Later werd de Chevrolet onderdeel van de Autotron-collectie. Naar verluidt is de auto naderhand verloren gegaan.
Het allermooiste in Houthalen was echter het wrak in een hoek van het museum, bedolven onder hooi en stro en met een aantal (plastic) kippen. Zo werden waardevolle oldtimers vaak op een boerenerf aangetroffen voordat een verzamelaar het restauratieproject in gang zette.
 

  Het museum in Houthalen vanuit de lucht gezien.

Twee van de tentoongestelde modellen: een Franse Lacroix Delaville en de Vivinus uit België. 

Ansichtkaart van een Chevrolet ijscowagen. De auto schijnt niet meer te bestaan.

In een artikel ging de Autokampioen van 12 december 1970 in op het nieuwe museum en plaatste onder meer deze foto's.

Autoworld
Twee keer zijn we naar Houthalen afgereisd. Het museum sloot in 1986 de deuren. De collectie Mahy werd deels ondergebracht in Autoworld in Brussel, in een prachtig oud, uit gietijzer en glas opgetrokken tentoonstellingsgebouw in het Jubelpark. Vele jaren later ging ik er eens kijken. Aan dat bezoek hield ik gemengde gevoelens over. Het gebouw was indrukwekkend, de collectie omvangrijk en de hoek met Belgische klassiekers zonder meer bijzonder. Maar vooraan in het geheugen staat toch vooral het woord rommelig. De aankleding was bij de opening ongetwijfeld verzorgd geweest, maar daarna had niemand er meer naar omgekeken, leek het wel. De tentoonstellingsruimte op de eerste verdieping was ronduit een aanfluiting. Indrukwekkende topstukken kent de collectie niet. Misschien waren we met onze eigen imposante Louwman collectie te veel verwend. Wat ook nog is bijgebleven is de Vlaamse interpretatie van cappuccino: een stevige kop koffie met daarop een kop van slagroom. Wat je allemaal al niet onthoudt...
 

Het Autotron in Drunen ten tijde van de opening.

Onder meer door de binnenplaatsen ontstond een bijzonder geheel.

Deze bijzondere, langwerpige ansichtkaarten waren om te verzamelen, niet om te versturen!

Autotron
Al een paar keer is de naam Autotron gevallen. Dat zijn dierbare herinneringen, tenminste als je het hebt over het Autotron in Drunen toen het net geopend was. We hebben het dan over 1972. De autocollectie van Max Lips, van de scheepsschroevenfabriek in het dorp, kreeg een uniek onderkomen. Anton Pieck was gevraagd een museum te ontwerpen in de voor hem karakteristieke sprookjesachtige stijl. Het resultaat was ook bijna een sprookje. De boerderijachtige zalen met houten balken vormden een perfecte omgeving voor de auto van weleer. Anders dan bij andere musea stonden de auto's hier niet achter touwen, maar mocht je dichtbij komen. Dat idee bleek al gauw niet realistisch. Al snel kwamen er afscheidingen. Bovendien bleek de ruimte te klein voor de almaar groeiende collectie. De auto’s kwamen steeds dichter bij elkaar te staan. Tussen de houten balken werden constructies bedacht om auto's op te zetten. Als bezoeker zag je nauwelijks meer dan de onderkant. Op de binnenplaatsen stonden een grote stoomwals en een Londense dubbeldekker: die konden er binnen gewoon niet in. Waarom de voormalige auto van Frits Philips - een Bentley S3 - buiten moest blijven staan, heb ik nooit begrepen.
 

Anton Pieck tekende het ontwerp voor het Autotron, geheel in stijl opgetrokken.

Foto's uit de begintijd. Rechts het restaurant, geheel in stijl met de rest van het gebouw.

In het begin was er volop ruimte voor de klassiekers.

Een deel van de collectie in één van de zalen, van alle kanten te bezichtigen.

Twee uitersten: een oude Benz en een futuristisch studiemodel, de Ferrari Modulo (1970). 

Het gebouw vormde een mooi decor voor foto's van de collectie. Links een Rolls-Royce Silver Ghost, rechts een Bentley.

Links een oude Buick, rechts de Mercedes-Benz van de Duitse keizer die hij tijdens zijn ballingschap in Doorn gebruikte.  

Op de achtergrond zijn de muren van het complex nog te zien. Links Arrol Johnston rechts La Licorne, allebei uit 1909.

Tussen de ansichtkaarten enkele eigen foto's, van de oude auto van Frits Philips en een grote stoomwals.

Binnen werden deze Rolls-Roycen op de gevoelige plaat vastgelegd.

Links Daf 600 en de 55 van de London-Sydney Marathon (in 1968), rechts een oude Renault taxi. 

Gouden Koets
Net als collega-verzamelaar Louwman had Lips bijzondere belangstelling voor het Nederlandse automerk Spyker. Ter ere van het vijfjarig bestaan van het Autotron werd een speciale tentoonstelling ingericht. Reden voor een hernieuwd bezoek natuurlijk. Topstuk was de Gouden Koets, in een glazen vitrine met speciale apparatuur om luchtvochtigheid en temperatuur te regelen. Een oude foto in het album herinnert er nog aan. De koets was veel te hoog voor de deuren van het Autotron. Als oplossing werd de vloer uitgegraven, zodat het gevaarte naar binnen kon. De kroon moest er wel even van af.
Eén van de Spykers was voor de gelegenheid rood-wit-blauw gespoten, net zoals de auto die in 1907 meedeed aan de beroemde rit van Peking naar Parijs. De huidige eigenaar van de Spyker heeft de truc de afgelopen jaren herhaald.
In de werkplaats van het Autotron werd een antieke racewagen van het Nederlandse merk opnieuw gebouwd. Het origineel was verloren gegaan, maar enkele onderdelen waren nog voorhanden.
 

De Gouden Koets in een speciale beveiligde vitrine en rechts de nagebouwde Spyker-racewagen.

Links een Spyker uit 1907, rechts de zescilinder met vierwielaandrijving die eerder tot de collectie Riemer behoorde.

Net als de Spyker had de Nederlandse Eijsink een ronde radiator. Dit is het enig overgebleven exemplaar van het merk.

Ook de omslagen van de catalogi van het Autotron verwezen naar het klassieke Nederlandse merk.

Van sommige Spykers liet het Autotron ansichtkaarten drukken. Het model links werd vaak ingezet voor publiciteitsdoelen. 

De Spyker vrachtwagen werd door de werkplaats van het Autotron opnieuw opgebouwd. Rechts een Spyker landaulette.
 

Rosmalen
Het Autotron kwam voort uit een hobby, maar was een commerciële instelling. Rondom het museum kwamen steeds meer elementen van vertier, van huifkartochten tot draaimolens. De klassieke auto's werden met enige regelmaat ingezet bij allerlei activiteiten voor maximale publiciteit. De liefde die Max Lips ooit had gekoesterd, verdween. Op een deukje of krasje werd niet gekeken. De commercie kreeg helemaal de boventoon toen het Autotron in 1988 naar Rosmalen verhuisde. In Drunen was te weinig plek voor een pretpark met vertier voor het hele gezin. De Anton Pieck-omgeving werd verruild voor een evenementenhal. In de zomer stonden er de auto's, in de winter waren er andere activiteiten. De auto's werden opgeslagen. Per jaar kwamen er deuken en krassen bij.
Enkele jaren voordat het Autotron zijn collectie van de hand deed, kwam er toch weer een permanent museum. De bezoekersaantallen maakten een winstgevende exploitatie echter niet mogelijk. De eigenaren van het park hadden niets met oude auto's. Collectionneur Louwman kocht de hele collectie om het grootste deel ervan door te verkopen en alleen enkele interessante stukken zelf te behouden. Tot die groep behoren de klassieke Spykers en de Mercedes-Benz van de Duitse Keizer in ballingschap, gebruikt tijdens zijn verblijf in Doorn. Het Autotron is de naam van een evenementencentrum annex tennisbaan en het gebouw in Drunen heeft tegenwoordig een creatieve bestemming. Toch jammer. 
 

De eerste modellen uit de historie van Renault, voiturettes uit 1898 en 1901. De foto's komen uit een kleine brochure.

Renault Museum
Over jammer gesproken: dat woord komt ook naar boven bij de gedachte aan dat kleine, maar knusse museum van Renault in Parijs. Het was ingericht op de eerste verdieping van de showroom aan de Champs-Elysées in het hartje van de hoofdstad. Er stonden achter lage glazen afscheidingen vier handen vol spraakmakende modellen uit de historie van het merk. Nog een halve verdieping hoger was er de Pub Renault, een café-restaurant geheel in de stijl van koetsen en antieke auto’s. Een briefwisseling met de afdeling public relations had de ontvangst van een kleine catalogus als resultaat. Dat boekje is er nog steeds, het museum al lang niet meer. Het is ten offer gevallen aan vernieuwers die vonden dat zo’n A-locatie niet benut mag worden om het verleden te accentueren, maar in avantgardistische stijl een uitstalkast moet zijn van wat een merk vandaag de dag vermag bij te dragen aan de automobiele wereld. Vanuit marketing- en promotie-opzicht zullen ze wel gelijk hebben. De liefhebber van de geschiedenis betreurt zo'n besluit. Die moderne Renaults kun je in ieder showroom bekijken. De klassiekers zijn een zeldzaamheid, zeker als je het hebt over de allereerste modellen, nog van de voor-vorige eeuw. Bovendien heeft Renault, anders dan rivaal Peugeot, geen groots eigen museum. We moeten het doen met de plaatjes.
 

Twee modellen uit 1902. Meedoen aan races was belangrijk voor de publiciteit in die tijd.

Een reislimousine uit 1907 en een tweezits Torpédo uit 1913.

De beroemde Taxi de la Marne uit 1914 en Torpédo Sport van 1921.

Eén jaar verschil, maar duidelijk een verandering van de voorkant, modellen uit 1922 en 1923.

Twee zogeheten Conduite intérieure-modellen, gedateerd 1927 en 1930.

Coupé Nervasport 1932 naast de Reinastella van twee jaar daarna.

De Celtaquatre Coupé van 1935 en de Juvaquatre van 1937.

Links de vooroorlogse Primaquatre, rechts hét succesnummer van na de oorlog: de 4CV.

Uit 1956 stamt de Etoile Filante, uit 1966 de Renault-Alpine.

Conservatoire
Als we het over Parijs hebben, komt direct de frustratie naar boven over het bezoek aan het Conservatoire des Arts et Métiers, begin jaren tachtig. Het museum pretendeerde een volledig inzicht geven in de ontwikkeling van de techniek en wetenschap. Toen wij er waren, had de tijd al decennia lang stilgestaan. De collectie was bijgewerkt tot twintig jaar eerder en daarna nooit meer bijgehouden. Oude vitrines, vergeelde aanwijzingen en donkere ruimtes zorgden voor een weinig positieve indruk. Dat is nog mild uitgedrukt. Wat we er kwamen doen? Kijken naar de aartsvader van de automobiel, de allereerste zelfbeweger van meer dan tweehonderd jaar geleden. Het museum bewaart de stoomwagen van Cugnot uit 1770. In elk boek over de autogeschiedenis staat er wel een plaatje van. We verwachtten dat dit unieke voertuig in de schijnwerper zou staan en zou worden gekoesterd als een kroonjuweel. Niets van dat alles. Gewoon tussen enkele andere oude wagens, ongeïnspireerd neergezet met bij wijze van spreken een dikke laag stof erop. (Was het wel bij wijze van spreken?) Zo ga je niet met de historie om. We hebben toch maar een paar ansichtkaarten gekocht, in een automaat. Als pleister op de wonde, want in veel boeken stonden alleen zwart-wit afbeeldingen. Echt mooi zijn de plaatjes trouwens niet. Toch zijn we er blij mee. Ze zijn een mooie aanleiding om herinneringen op te halen. 
 

Links de Cugnot, rechts een Bollée stoomwagen uit 1873.

Een bijzondere De Dion-Bouton & Trépardoux stoomdriewieler van 1885 en een weinig bijzondere T-Ford 1911.

Familiefoto's
Bij het bekijken van de albums met oude familiefoto's komen we enkele opnamen tegen van een bezoek aan de Kunsthal in Rotterdam. Het zal omstreeks 1994 zijn geweest. Er was een speciale tentoonstelling ingericht rondom kleine auto's. De meeste modellen waren bekend van de straat, van het soort Mini en Fiat 500. Er stonden ook enkele veel minder bekende modellen. Twee Japannertjes bijvoorbeeld, uit de tijd dat de weg naar Europa nog niet was gevonden. De Subaru en Daihatsu werden natuurlijk op de foto gezet. Dat gebeurde ook met de merkwaardige BMW 600 met één deur van voren en één opzij. Uit Rusland kwamen enkele prototypen van moderne mini's, die het echter nooit verder hebben gebracht dan het studiestadium. Dierbare opnamen, en niet alleen vanwege de auto's....
 

Links een kleine Daihatsu, rechts een Subaru. Beide Japanners zijn nooit in Nederland op de markt geweest.

Jeugdige interesse voor de BMW 600. Rechts een serie Russische prototypen. Mooie foto's uit het familie-album.


Ford Amsterdam
In de boekenkast vinden we tot slot ook nog een brochure van de Ford-fabriek in Amsterdam, in 1932 geopend en in 1982 gesloten. Bezoekers van de fabriek kregen na afloop het boekje mee naar huis om de herinnering levend te houden. In Amsterdam werden verschillende modellen van Ford geassembleerd, afkomstig van de fabrieken in Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten. Op de band zien we zowel personen- als bedrijfswagens. Het boekje is van begin jaren zestig. Robots bestonden alleen nog in science fiction-verhalen. Autofabricage was vooral handwerk, zoals te zien is. De oude modellen zijn puur nostalgie.
 

Net als overal lag ook de Nederlandse Ford-fabriek aan het water. Rechts het hoofdkantoor met showroom.

De onderdelen kwamen in kratten aan, voorlopers van de latere containers.

De onderdelen werden in Amsterdam samengevoegd. Rechts de motorenbouw.

De assemblage van het koetswerk (hier een Cortina), nog helemaal handwerk.

Het polijsten en bijwerken van de carrosserie, zodat alle oneffenheden zijn weggewerkt.

Het koetswerk van een Taunus 17M bij binnenkomst en uitgang van de fosfateringsoven.

In de spuitcabine krijgen een Corina en Zephyr letterlijk kleur.

Werk aan de Ford Taunus 12M, zojuist gelakt.

Ook de wielophanging en de stoelbekleding werden in Amsterdam gemaakt of samengevoegd.

Het huwelijk van een 17M (links) en de eindmontage (rechts) van onder meer de Cortina.

Op de band staan allerlei modellen door elkaar. Voor aflevering gaan de auto's de testbaan over, zoals deze Mercury.