Nethercutt Museum

Sylmar, Los Angeles (USA) 


 
●  Twee verschillende musea
●  Private miljoenencollectie 
●  Vier Duesenbergs, waaronder de Twenty Grand
●  Perfecte restauraties  
●  Naast auto's ook muziekinstrumenten 

 
oktober 2018
 

  


De betoverende uitstraling van San Sylmar  
 

Volgens de Amerikaanse vakmedia is de Nethercutt Collection één van de mooiste van het land. In Sylmar, in het noorden van Los Angeles, staan op het industrieterrein in twee gebouwen tweehonderd perfect gerestaureerde klassieke auto’s. Ze zijn bijeengebracht door een bevlogen zakenman en zijn echtgenote. De productie en verkoop van cosmeticaproducten leverde zoveel op dat ze er een kostbare hobby op na konden houden: het verzamelen en laten restaureren van auto’s en mechanische muziekinstrumenten. De erfenis van het echtpaar Nethercutt is indrukwekkend. Het loont de moeite om een afspraak te maken eens te gaan kijken.
 


Min of meer toevallig komt een paar weken voor vertrek naar Amerika voor een vierweekse vakantiereis de Nethercutt Collection in beeld. De naam duikt op in publicaties over de boeiendste automusea van het land. Als je de kans krijgt, moet je ernaar toe, luidt het advies. Let wel op, staat er bij, het interessantste deel is alleen op afspraak en onder begeleiding te bekijken.
Een blik op de landkaart leert dat Sylmar in Los Angeles ligt. Dat is geluk hebben. Die stad is het eindpunt van onze reis langs onder meer een aantal nationale parken. We zullen er een paar dagen verblijven voordat de KLM ons terugbrengt. Aangespoord door de publicaties probeer ik voor meer informatie de museumwebsite te raadplegen. Dat mislukt. De site wordt vernieuwd en is voorlopig uit de lucht. De zoektocht naar een e-mailadres strandt. Op internet wordt geadviseerd contact te leggen via Facebook. Er gaat een bericht de wereld over, maar hoe snel sociale media ook heten te zijn, tot een contact komt het niet.
 

Snelwegen met twee keer zes rijstroken doorkruisen Los Angeles.

Reisschema
Kort voor vertrek probeer ik op een avond het telefoonnummer, rekening houdend met de negen uur tijdsverschil. Dat werkt. Er komt iemand aan de lijn die weet te vertellen dat er twee musea zijn: het ene is gewoon te bezichtigen, voor het andere is inderdaad een afspraak nodig. Ons reisschema ligt al vast en het programma is grotendeels ingevuld. Voor de donderdag in Los Angeles hebben we al kaarten voor de rondleiding door de kelders van het Petersen Automotive Museum. De zaterdag is grotendeels gereserveerd voor een bezichtiging van het museum van Peter Mullin in Oxnard dat maar twee keer per maand voor het publiek open gaat. Het enige gaatje is dus vrijdag 12 oktober. Met als kanttekening dat er dan drie automuseumdagen op rij zijn. Wordt dat niet teveel van het goede? Er is in L.A. nog meer te zien. Ik informeer niettemin naar de mogelijkheden. Er is nog ruimte. Om tien uur in de ochtend. De aarzeling is op slag verdwenen. Zo'n kans laat je niet lopen. Het kost vervolgens wat moeite om al spellend de achternaam door te geven, maar we staan op de lijst. Dat wordt spannend. Zouden de superlatieven kloppen? In Amerika is iets al gauw het mooiste, grootste of meest indrukwekkend.
 

Voor de donderdag en zaterdag hebben we al kaarten voor Petersen en Mullin. 

Google
Het is een week of zes later. Na een maand rondtrekken door vier staten zijn we neergestreken in een appartement in hartje Los Angeles. Alles is groter in Amerika, dus ook de ochtend- en avondspits in de grote steden. We zijn er inmiddels aan gewend. De zes mijl (10 km) naar Petersen, gisteren, kostte ruim drie kwartier. De 40 minuten die Google rekent om naar Sylmar te komen, zijn niet realistisch. Midden in de nacht misschien, maar niet als de aankomsttijd tien uur ’s ochtends is. We nemen geen risico om te laat te komen. Rond kwart over acht rijden we met onze huurauto de parkeergarage van het appartement uit. De marge blijkt ruim voldoende. Om half tien staan we bij een zandgeel gebouw met het opschrift Nethercutt Museum aan de Bledsoe Street.
De rondleiding blijkt in het gebouw aan de overzijde te zijn. We krijgen het advies om tien minuten tevoren aanwezig te zijn. In de tussentijd kunnen we hier nog even rondkijken. De toegang is gratis.
 

Ruimschoots op tijd, ondanks de files, bereiken we Sylmar.

Eerste indruk
Het museum is, laten we zeggen, verrassend en onderscheidend. Meer dan honderd auto’s staan in keurige rijen op een luxe tapijt met een motief dat in een klassiek Brits hotel niet zou misstaan. Ongetwijfeld zeer slijtvast en van hoogwaardige kwaliteit, maar passend bij een automuseum? In de vraag zit het antwoord. We hebben twintig minuten, net genoeg voor een eerste indruk. De auto’s zijn tot in de puntjes verzorgd en hoogwaardig gerestaureerd. Er staan interessante merken en modellen bij. Zelfs als de rondleiding zo meteen tegenvalt, is de reis niet vergeefs geweest. We komen hier straks beslist terug.
Afgaande op de fantasieloze opstelling en klassieke houten vitrinekasten schatten we het museum op enkele decennia oud. Dat blijkt niet zo te zijn. Het is van 2000. Een dergelijke opzet paste toen ook al niet meer bij eigentijdse opvattingen over de presentatie van waardevolle museumstukken. Kennelijk wilde de eigenaar het zo.
 

Auto's staan in lange rijen op tapijt dat in een klassiek hotel niet zou misstaan.

De opstelling doet niet helemaal recht aan de waarde van de collectie.

In klassieke vitrines liggen allerlei accessoires op soort gerangschikt.

Glazen radiatormascottes van onder meer Lalique

Spelregels
Het gebouw aan de overkant van de straat heeft dezelfde gele kleur en is allesbehalve een architectonisch hoogstandje. Het zou een fabrieksgebouw kunnen zijn, een loods of een opslagruimte van Amazon; een grote vierkante doos zonder ramen. Al gauw blijkt dat je niet op het uiterlijk mag afgaan. Om iets voor tienen gaat een garagedeur open en komt een gids naar buiten. Hij heet iedereen enthousiast welkom. De lijst van deelnemers wordt gecontroleerd. We staan erop, de naam foutloos geschreven. Hij neemt de spelregels van de ochtend even door. Je mag alles bekijken, maar nergens aankomen. Je mag heel dichtbij komen, maar zorg ervoor dat je nergens tegenaan stoot met de camera om je nek of het flesje water aan je riem. We gaan verschillende etages bezoeken en dan is het van belang dat de groep bij elkaar blijft. Gidsen zullen op iedere verdieping een toelichting geven waarna er ruimschoots tijd is om foto’s te maken. Het klinkt allemaal heel redelijk.
We gaan naar binnen. Niet via de officiële ingang met de zware deuren van 750 kilo, maar via de garagedeur. Het voelt niet als een museum, maar als een soort huiskamer waarin auto’s staan. Het dikke rode tapijt, de meubilering en het lage plafond dragen daaraan bij. Dit is de Lower Salon. De inrichting is klassiek degelijk en het budget was zo te zien geen probleem. Het onthaal is gastvrij; de auto’s zijn een lust voor het oog.
 

Het gebouw is geen architectonisch hoogstandje. Ernaast is het fabrieksgebouw van Merle Norman.

De Lower Salon, half onder de grond.

Dik tapijt, een laag plafond: het voelt niet aan als een museum.

Oude auto's staan naast vitrines met een hele poppencollectie.

Cosmetica
De rondleiding begint met het verhaal achter deze collectie. Wat we gaan zien is het resultaat van een hobby van het echtpaar Nethercutt. Jack Boison Nethercutt – in publicaties steevast aangeduid als J.B. – werd in 1913 geboren in South Bend, Indiana. Zijn moeder overleed toen hij 9 jaar was. Hij groeide op bij zijn kinderloze tante en oom in Californië en studeerde later chemie. Zijn tante, Merle Norman, leidde vanuit haar huis in Santa Monica een kleine onderneming in cosmetica. J.B. brak zijn studie af om het bedrijfje te helpen en Merle Norman Cosmetics op te richten. Nieuwe manieren om het product onder de aandacht van klanten te brengen, bleken een hit. De omzet schoot omhoog. Later kocht hij zijn tante, oom en andere aandeelhouders uit en ontwikkelde als eigenaar een succesvolle miljoenenonderneming. Meer dan 2000 franchisehouders verkopen vandaag de dag de producten in de Verenigde Staten en het Verre Oosten. Opmerkelijk genoeg is Europa nooit een afzetmarkt geworden.
 

Een Cameron 1904, één van de weinigen die zijn overgebleven.

Een Peerless van 1903, een tweecilinder met - toen heel modern - een cardanaandrijving.

Nieuwstaat
In de beginjaren van hun huwelijk toerden autoliefhebber J.B. en zijn vrouw Dorothy in een tweedehandsje en keken graag naar mooie nieuwe auto’s als onbereikbare idealen. Dat onbereikbaar bleek minder absoluut dan ze dachten. Het succes van het bedrijf maakte ze rijk. Het gevoel voor de modellen uit hun eerste jaren waren ze nooit kwijt geraakt. Op latere leeftijd kochten ze die auto’s alsnog. Ze werden teruggebracht naar nieuwstaat, naar het beeld van hun herinneringen. Dat werd de maatstaf voor de hele collectie. Als eerste klassieker kocht J.B. midden jaren vijftig een Duesenberg. Hij had er niet op gerekend dat tussen koop en aflevering een paar weken zouden zitten. Teleurgesteld reed hij naar huis, zo wil het verhaal, en zag onderweg een duPont. Die werd meteen gekocht, met het idee dat het opknappen slechts een paar weken zou kosten. Het werd ruim anderhalf jaar. Voor de auto had hij 500 dollar betaald; de rekening voor het restaureren liep op tot 65.000 dollar. Eenmaal klaar, namen J.B. en Dorothy de auto mee naar een concours en scoorden bijna het maximaal aantal punten. Het geld was goed besteed. In 1957 reden ze naar Pebble Beach en kwamen met de trofee voor best of show terug. Het zou niet de laatste keer zijn. Nethercutts onbegrensde streven naar perfectie zorgde ervoor dat hij zes keer de topprijs van Pebble Beach mee naar huis kon nemen. Dat is niemand anders ooit gelukt.
(Wat we niet horen, is het verhaal dat J.B. op enig moment acute geldnood had en zijn verzameling van toen nog dertig auto's moest verkopen. Bill Harrah kocht ze voor 150.000 dollar, inclusief die eerste Duesenberg en duPont. Na het overlijden van Harrah werd de duPont verkocht en ging verschillende keren in andere handen over. Later kreeg Nethercutt de kans de auto weer terug te kopen en aan zijn verzameling toe te voegen.)
 

Een Duesenberg was de eerste aankoop van J.B.

In een boek over de Nethercutt Collection van Dennis Adler wordt uitgebreid aandacht besteed aan de duPont.

Schatkamer
Het succes smaakte naar meer. Het bleef niet bij één, niet bij twee en niet bij tien klassiekers. De collectie groeide naar ongeveer tweehonderd. In de jaren zestig ontstond het idee om een passende omgeving te creëren waar de mooiste auto’s goed tot hun recht zouden komen en waar anderen er van zouden kunnen meegenieten. Er was grond naast de fabriek beschikbaar. In 1968 begon de bouw van wat de schatkamer ‘San Sylmar’ zou worden, met een knipoog naar de aanduiding San Simeon van Hearst Castle. De bouw ging gepaard met grote tegenslagen. De zware aardbeving die Los Angeles in 1971 trof, verwoestte een deel van de constructie. Vier maanden later was er een gasexplosie in ondergrondse buizen. De structuur van het bouwwerk werd aangepast om beter bestand te zijn tegen grote schokken. De opleveringsdatum werd uiteindelijk december 1973. In 1994 was er opnieuw een aardbeving en moest San Sylmar voor 14 maanden dicht om de schade te herstellen.
Op 10 december 2004 overleed J.B. op 91-jarige leeftijd. Zijn vrouw was hem begin oktober van dat jaar voorgegaan. Ze waren 71 jaar getrouwd geweest. Eén van hun twee zoons heeft het bedrijf daarna overgenomen, inclusief het beheer over de auto’s. En over de tweede collectie, die van mechanische muziekinstrumenten.
 

Het bleef niet bij één klassieker. Ook niet bij 10 of 100. Dit is een Minerva uit 1930.

Een Royal Tourist. Het bedrijf bestond slecht zeven jaar, tussen 1904 en 1911.

De Rauch & Lang (1914) was een elektrische auto. Op de voorgrond de laadpaal.

Deze Star van 1927 was de eerste auto waarmee het cosmeticabedrijf producten afleverde bij klanten. 

Aaibaar
Door de omgeving en het verhaal hebben we het gevoel bij de oude Nethercutts op visite te zijn. De geest van hun hobby waart nog rond. De staat van de auto’s is indrukwekkend. Het is een bont gezelschap, van een zeldzame Cameron uit 1904 tot de EV-1, de elektrische auto die General Motors tussen 1996 en 1999 produceerde en daarna roemloos van het autotoneel liet verdwijnen. Een kleine Vespa in exclusieve Jolly-uitvoering heeft een hoog aaibaarheidsgehalte. De imposante groene Duesenberg, de eerste aankoop, straalt kracht en aanzien uit. Het is een J (met later aangebrachte externe uitlaatpijpen van de SJ) uit 1934. Het koetswerk is van Murphy. Zo’n vijftig van dergelijke carrosserieën maakte het bedrijf. Anders dan de meeste andere, heeft deze een bijzondere tweede V-vorige ruit voor de achterpassagiers. Veel minder exclusieve auto’s als de Austin Healey en DeLorean vullen het geheel aan. De belofte wordt waargemaakt. Er is volop tijd rustig te kijken en foto’s te maken. De vrijwilligers geven deskundige toelichting.
 

Een Duesenberg J (met de uitlaatpijpen van de SJ) straalt aanzien uit.

Auto's met een hoog aaibaarheidsgehalte: een Vespa Jolly en Ford Woody.

Ook de Chase brandweerwagen uit 1913 heeft altijd veel bekijks, aldus de gidsen.

Een Alco (American Locomotive Company) uit 1912.

Het merk bouwde niet meer dan 12 auto's. Dat maakt dit exemplaar bijzonder. 

Een fraaie zestiencilinder Cadillac van 1930.

Uit 1932 is deze Chrysler.

De elektrische General Motors EV-1, een Austin-Healey en DeLorean.

Grand Salon
Dan worden we aangespoord mee naar boven te gaan. Volgens de gids is de benedenverdieping slechts een bescheiden introductie van wat komen gaat. Daarmee zegt hij niets teveel. Een verdieping hoger ligt de Grand Salon. In de naam is het karakter besloten. Op een marmeren vloer, vóór zaalhoge spiegelwanden en tussen marmeren zuilen die aan de bovenkant zijn afgewerkt met bladgoud, staan vijftien tot twintig exclusieve klassieke auto’s. De uitstraling is betoverend. Dit is de ultieme uitwerking van het begrip schatkamer. Meubels en verlichting zijn bijpassend. Je kunt niet anders dan onder de indruk raken. Mooier kunnen hoogtepunten uit de autohistorie niet worden gepresenteerd. Het geheel ademt de sfeer van superrijke weldaad en decadentie. De showrooms van de allerduurste merken uit de jaren dertig stonden hem voor de geest toen J.B. zijn architect opdracht gaf voor het ontwerp. Wie had gedacht dit aan te treffen in het zandgele, raamloze blok naast de cosmeticafabriek? De gidsen zijn niet verwonderd over de reacties van de bezoekers. Ze maken het geregeld mee.
 

De Grand Salon is een ongekend luxe zaal voor de presentatie van klassieke auto's.

Marmer, hout en bladgoud bepalen het beeld.

Het beste was voor Nethercutt niet goed genoeg.

Het meubilair is voor een belangrijk deel ook authentiek antiek.

Twenty Grand
De meeste aandacht gaat uit naar de Duesenberg SJ uit 1933, samen met een stalgenoot centraal tussen twee pilaren geparkeerd. De fabriek presenteerde de auto tijdens de wereldtentoonstelling van 1933/1934 in Chicago. De vraagprijs was 20.000 dollar, destijds een astronomisch bedrag. Al gauw kreeg de auto de bijnaam ‘Twenty Grand’. Daarvoor kreeg je wel de krachtigste en snelste niet-racewagen van die tijd. Rollston in New York bouwde de carrosserie naar een ontwerp van Duesenbergs eigen ontwerper Gordon Buehrig. Hij tekende een onorthodoxe raampartij en gaf de auto een ingebouwde kofferruimte, een bezienswaardigheid in die tijd. De fabrikant besteedde aan elk detail van dit showmodel de grootste zorg. Het beste was niet goed genoeg. Diezelfde houding nam J.B. Nethercutt in toen hij de auto in 1978 kocht en liet restaureren. Hij betrok de toen 74-jarige Buehrig daarbij als adviseur, samen met een voormalige directeur van Duesenberg. Het resultaat is onwaarschijnlijk perfect. Onze gidsen zijn niet te beroerd de deuren en achterklep te openen. Een blik op het interieur is toegestaan, maar aanraken van de zijden bekleding is verboden. Als alle 40.000 bezoekers per jaar dat zouden doen, is er al gauw sprake van slijtage. Wat overigens niet wil zeggen dat de auto’s louter met fluwelen handschoenen worden behandeld. Geregeld wordt met ze gereden en nemen ze deel aan bijeenkomsten. De filosofie van J.B. was dat ook anderen van zijn hobby mochten genieten. Zoon Jack heeft die lijn doorgetrokken. Is men niet bang voor brokken? “We hebben nog nooit een ongeluk gehad. Misschien wel veroorzaakt doordat anderen naar ons keken in plaats van op de weg”, aldus de gids.
 

Centraal in de Grand Salon staan twee Duesenbergs.

Twenty Grand was de bijnaam van dit model van 1933, naar de prijs van 20.000 dollar.

De gidsen willen graag het interieur laten zien. Kijken mag, aankomen niet.

Ontwerper Gordon Buehrig koos voor een ingebouwde kofferruimte, een noviteit in die tijd.

Zilvergrijs
Iedereen kijkt de ogen uit. Behalve de Twenty Grand is er nóg een Duesenberg. Het gebeurt je niet iedere dag dat je er binnen een half uur drie ziet. Ze zijn ook nog eens heel verschillend. Dit is een SJN cabriolet, bouwjaar 1936, één van de laatste van het merk. Om de verkoop aan te slingeren, maakte de fabriek een moderner versie van de SJ, herkenbaar aan de kleinere wielen, andere spatborden en gestroomlijnder details. De prijs bleef onverminderd hoog. In 1937 was het afgelopen met Duesenberg. De auto is zilvergrijs, een tintje verschillend van de SJ. Het staat ‘m zeer goed, maar het is de vraag of de kleur origineel is. Oudere foto’s tonen de wagen in het zwart. Van de knalgele Packard weten we zeker dat die nooit zo aan een klant is afgeleverd. De kleur was niet leverbaar, maar werd wel gebruikt in advertenties voor het model. J.B. vond dat zo mooi dat hij bij de restauratie niet koos voor originaliteit, maar voor de emotie die de advertentie bij hem had opgeroepen. Puristen zullen hun bedenkingen hebben, maar uiteindelijk bepaalt de hobbyist hoe hij zijn liefhebberij wil beleven, nietwaar?
 

De SJN had kleinere wielen, andere spatborden en een wat slankere lijn.

Deze auto is één van de laatste die het merk bouwde voordat de productie werd gestaakt in 1937.

Deze kleur gebruikte Packard in advertenties. J.B. Nethercutt liet zijn auto daarom geel spuiten.

Lippenstift
Naast de twee Duesenbergs is een rode Packard uit 1934 een blikvanger. Van dit type zijn er maar vijf gemaakt; vier ervan zijn overgebleven. Bijna waren het er drie, want een foto laat zien hoe de auto eraan toe was toen hij werd gevonden in Wisconsin. Tien jaar weer en wind zijn een aanslag op het bestaan. De vakkundige restauratie dwingt opnieuw bewondering af. Nethercutt was zo onder de indruk van het werk en de gekozen kleur dat hij de scheikundigen van Merle Norman opdracht gaf bijpassende lippenstift, nagellak en parfum in het pakket op te nemen.
De luxe Amerikanen van de jaren dertig passen eigenlijk het beste bij de uitstraling van de Grand Salon, maar ook een Mercedes-Benz, Isotta Fraschini en Hispano-Suiza (met koetswerk van Saoutchik) misstaan niet in deze ambience. Hoewel van 1909 valt ook de gestreepte Franse Gobron-Brillie niet uit de toon. Een beetje weggestopt bij de trap staan een Eisenach en Franklin uit de kinderjaren van de auto. Ze zijn met hetzelfde vakmanschap opgeknapt en daardoor waarschijnlijk mooier dan ze ooit nieuw zijn geweest. De replica van de Benz uit 1886, in veel musea te zien, werd door de fabrikant nieuw gemaakt ter ere van het eeuwfeest.
Wat je ook van het geheel vindt – laten we eerlijk zijn: het is over de top – het is een geweldige ervaring om dit te zien en te beleven. Het is nog geen elf uur en de dag kan al niet meer stuk. Moeten we straks nog wel aandacht besteden aan het museum aan de overkant van de weg? Dit is immers de overtreffende trap. En we zijn nog maar op de helft.
 

Een twaalfcilinder Packard uit 1934. Carrosseriebedrijf LeBaron maakte vijf van deze koetswerken.

Ondanks de vier deuren is de Packard rank en slank.

Het dashboard is net als de buitenkant schitterend gerestaureerd.

Van boven zie je pas goed hoe mooi de lijn is.

Zo zag de auto er uit toen Nethercutt 'm kocht.

Een viercilinder Packard uit 1909 en een achtcilinder van 1930.

Deze vierdeurs Packard is een achtcilinder uit 1931.

Zowel de Ruxton als de Cord hadden als bijzonderheid voorwielaandrijving.

In de Gobron-Brillie uit 1909 waren alleen de (rijke) passagiers beschermd tegen regen.

Saoutchik ontwierp de carrosserie van deze Hispano-Suiza.

Een topmodel uit Italië: Isotta Fraschini 1929. De vorm doet Amerikaans aan.

Deze zwarte Mercedes is van 1913, dus nog van voor de fusie met Benz. Let op de vier uitlaatpijpen aan de zijkant.

Een Mercedes-Benz 540 Cabriolet A uit 1938 past ook prima in dit decor.

Wat weggestopt bij de trap: een luchtgekoelde Franklin 1906 en Eisenach (Wartburg) van 1898.

Mezzanine
Een luxe trap brengt ons naar een volgende verdieping, de Mezzanine, een galerij van waaraf je neerkijkt op de zaal. Van bovenaf kunnen we het geheel nog eens goed bekijken zoals je een flonkerende diamant in de etalage van de juwelier op je laat inwerken. Hierboven staan luxe houten tafels, al dan niet met damasten tafelkleden, waarop de prijzen staan die in de loop der tijd zijn gewonnen. Pebble Beach 2015 is de jongste. “We nemen niet elk jaar onze mooiste auto mee. Als Ralph Lauren, Jay Leno en wij dat zouden doen, hebben anderen nooit een kans”, wordt eraan toegevoegd. Het klinkt overtuigend en niet eens arrogant.
Tegen de muur staan niet minder luxe houten vitrines vol automobilia en radiatormascottes. Op enkele exemplaren na, bezat J.B. alle beroemde glazen mascottes van Lalique. Ze zijn op zich al een fortuin waard. Nergens anders zou je zoiets naar voren brengen, maar hier klinkt de verbazing uit verschillende monden: ‘Op een paar na?…’ Is er dan niet de drang om de serie compleet te maken? Perfect, zoals alles hier? Niet tegen elke prijs, wordt ons verteld. Alles heeft zijn grenzen, ook voor Nethercutt. Een op een veiling geboden prijs van drie ton voor een stuk glas bleek toch iets te gortig. Zelfs voor iemand die voor 100 miljoen aan auto’s heeft staan.
 

Op de tussenverdieping staan verschillende mechanische muziekinstrumenten en vitrines met mascottes.

Een manshoog zilveren kunstwerk bij de Stairway to the Stars.

De Nethercutt Collection is trots op de behaalde prijzen. Ze staan en liggen op de tafels.

Muziekinstrumenten
Het onderwerp van de rondleiding gaat geleidelijk over van auto’s naar mechanische muziekinstrumenten, de tweede hobby van het echtpaar. De Mezzanine toont er een fors aantal, maar net als bij de auto's is dit slechts het voorspel. Via de Stairway to the Stars gaan we weer een etage hoger, naar een zaal die Cloud 99 is gedoopt. We komen bij een tweede salon, niet minder indrukwekkend. Het licht is gedempt om in de goede sfeer te komen. Vooruitlopend op haloween zijn her en der griezelelementen aangebracht. Ook hier was het beste niet goed genoeg. Nethercutt had niet alleen meer dan twintig man in zijn autowerkplaats werken, er waren ook drie hoog opgeleide musici in dienst om zich over de antieke muziekinstrumenten te buigen en de orgels te bespelen. Tientallen speelklokken, muziekdozen, automatische piano’s, fonografen en orgels behoren tot de collectie die de omvangrijkste van Amerika is. Het begon ooit met het idee van J.B. om een speeldoosje voor zijn vrouw te kopen bij gelegenheid van hun huwelijksdag. Het liep wat uit de hand, zou je kunnen zeggen.
Centraal op een plateau dat elektrisch een halve meter kan worden opgetild, staat een Wurlitzer orgel zoals vroeger gebruikt in bioscopen ter begeleiding van stomme films. In de wanden van de zaal zijn 5000 (!) orgelpijpen verwerkt. Tegen de muur staat een zaalorgel van Hupfeld dat vanaf 1923 veertig jaar lang dienst deed in het Postzegel Hotel in ’s-Hertogenbosch. We worden er als gasten uit Nederland nadrukkelijk op gewezen. Het werd destijds speciaal gemaakt en is in die zin uniek.
 

Een klassieke vitrine met speeldoosjes en -klokjes.

De collectie mechanische muziekinstrumenten is uniek in Amerika.

De enthousiaste gidsen demonstreren graag hoe het allemaal klinkt.

Speelklok
Onze gastheren scheppen er duidelijk plezier in te laten horen hoe een en ander klinkt. Orgelklanken en smakelijke anekdotes worden één geheel. Met heel veel trots laten ze een orgel zien waarbij drie violen mechanisch worden bespeeld. Sommige Amerikaanse bezoekers kijken ernaar alsof ze kennis maken met een wereldwonder. Wij zijn minder onder de indruk. Niet dat het niet mooi is, maar wie ooit het museum Speelklok in Utrecht heeft bezocht, kent deze instrumenten en weet hoe ze klinken.
Aan één zijde van de zaal staat een grote eettafel met stoelen in Lodewijk de Vijftiende stijl. De Nethercutts nodigden hier hun zakelijke en persoonlijke relaties uit om onder het genot van een goede maaltijd te genieten van de muziek. En als dat zo uitkwam, zaken te doen. Aan beide kanten zijn spiegels zo opgehangen dat het lijkt alsof er een hele serie kroonluchters hangt. Over alles is nagedacht. Er ontstaat een beeld van Nethercutt: aimabel als mens, maar veeleisend als opdrachtgever. Het personeel werkte echter graag voor hem; hun vakmanschap werd gewaardeerd.
 

Gasten werden uitgenodigd voor een diner; aankleding was in Lodewijk XV-stijl.

Hoogtepunt
Na twee uur is het feest afgelopen. Er is een vrijblijvende uitnodiging nog even een bezoek te brengen aan de (kleine) fabriekswinkel van Merle Norman. Wie weet gaan de bezoekers nog met een doosje rouge of een parfummetje naar huis. We houden het kort. We zijn immers voor de auto’s gekomen en aan de overzijde van de straat staat nog een museum vol, zoals we vanochtend zagen. We houden de Nederlandse traditie in ere: kijken maar niet kopen.
Het hoogtepunt van de dag ligt onbetwist achter ons. De presentatie van de auto’s in het museum haalt het niet bij de uitstraling van de Grand Salon. Toch is er alle reden de rest van de collectie ook goed te bekijken. Er staan bijzondere modellen bij. Dat begint al bij de ingang. Twee prijswinnaars staan naast elkaar te pronken met hun onderscheidingen. De ene is een Bugatti Type 51 uit 1931, aanvankelijk gemaakt als Grand Prix racewagen. In 1936 liet de toenmalige eigenaar een nieuw koetswerk maken door Louis Dubos. De lijnen van Bugatti’s Type 57 Atlantic waren duidelijk een inspiratiebron. Na wat omzwervingen kwam de auto in Amerika, waar chassis en carrosserie werden gescheiden. Als 21e eigenaar besloot Nethercutt de beide delen weer te verenigen.
De andere auto is een Talbot Lago 1937 T150C-SS, ‘Tear drop’ genaamd vanwege de vorm. Het ontwerp is van Figoni & Falaschi. Echt verrassend is de auto voor ons niet, want een familielid staat in het Louwman Museum. Het grootste verschil is de tweekleurige uitvoering en de bedekte voorwielen. Andere prijswinnaars zijn een koningsblauwe Chalmers 1913 en een Pierce Arrow uit 1937 met een bijpassende caravan van dezelfde fabrikant.
 

De racewagen Bugatti T51 van 1931 kreeg in 1936 een nieuw koetswerk, gemaakt door Louis Dubos.

Het ontwerp is mede geïnspireerd op dat van de Atlantic.

De 'Teatdrop' Talbot Lago van 1937 is exclusief, maar ook in Den Haag te zien.

Het is te zien: de Chalmers van 1913 is ook door een jury tot prijswinnaar uitgeroepen.

Deze Pierce Arrow is ook onderscheiden vanwege zijn kwaliteiten en uitstraling.

De bijpassende caravan is ook een product van Pierce Arrow en stamt uit dezelfde periode als de auto (1936/37).

Valentino
Omdat J.B. en Dorothy een bijzondere band hadden met de auto’s uit hun jongere jaren, is het tijdperk tot aan de Tweede Wereldoorlog sterk vertegenwoordigd. Er staan zowel Amerikaanse als Europese merken. Bekende namen komen voorbij, maar ook nietszeggende als Matheson, Kenworthy en Diana. Over meer of minder bekende namen gesproken: de Voisin met opvallende kap alleen boven de achterbank werd aangeschaft voor Rudolph Valentino, de topacteur van de stomme film die op 31 jarige leeftijd overleed. Rothchild et Fils tekende en maakte de carrosserie. Een Rolls-Royce is een cadeautje van de dochter van warenhuisoprichter Woolworth voor haar man, een Minerva was ooit in het bezit van de omstreden Amerikaanse generaal Billy Mitchel. Een Daimler uit 1931 diende het Britse koningshuis en een Cadillac was van een New Yorkse politiecommandant.
Soms is niet zozeer de auto, maar vooral het verhaal interessant, zoals over een Packard uit 1930, door een directeur bedoeld als cadeau voor zijn vrouw. Ze overleed echter voordat hij de auto kon geven, waarop hij beval die te vernietigen. De chauffeur deed dat niet en verstopte 'm. Pas in 1968 kwam de wagen weer tevoorschijn. Hij was nog nieuw.
Hoezeer de verschillende auto's ook van elkaar verschillen, ze hebben één ding gemeen, hun bijzondere uitstraling. Bijna allemaal zijn ze smetteloos gerestaureerd; enkele zijn nog in originele staat. Ze doen niet onder voor de auto’s in de Grand Salon.
 

Rudolph Valentino kocht deze luxe Voisin in 1923.

Een Kermit-groene Matheson 1911. Bij wijze van grap zit de tv-kikker op de radiator.

Slechts twee jaar heeft Kenworthy bestaan. Van de 614 gemaakte auto's bleef er maar één over: deze.

In de Amerikaanse Diana 1928 zijn veel elementen van de Belgische Minerva terug te vinden.

Daimler was het favoriete merk van het Britse koningshuis. De linker behoorde tot het Britse Hof.

De Packard die 38 jaar verborgen bleef en in 1968 als nieuw tevoorschijn kwam.

Niet gek voor een politiecommissaris, deze Cadillac convertible.

Phantom
Een afzonderlijke vermelding verdient de Rolls-Royce Phantom-reeks, van de Phantom I (naderhand zo genoemd maar eigenlijk New Phantom geheten) tot en met de VI. Op geen andere plek in de wereld vind je alle series broederlijk naast elkaar staan, meldt een informatiebord. Wat exclusiviteit betreft is de IV buiten kijf de meest bijzondere. Er zijn er maar 18 van gemaakt, verreweg het minste in vergelijking met de andere Phantoms (zie schema). Alleen staatshoofden en leden van Koninklijke huizen mochten er een kopen. Het in twee kleuren groen gespoten model van H.J.Mulliner werd in 1955 afgeleverd aan de Emir van Koeweit. Als het gaat om de vormgeving zijn er modellen die er meer uitspringen, zoals de Phantom II uit 1930 naar ontwerp van de Amerikaanse koetswerkbouwer Brewster & Co.
 

 

 

 

 
 

Rolls-Royce Phantom

 

 
 

 

 

 
 

Type

bouwjaar     

     aantal

     cilinders

cilinderinhoud

 
 

 

 

   

 

 
 

Phantom I

1925-1931     

     2512

    6

7668 cc

 
 

Phantom II

1929-1936     

1680

     6

7668 cc

 
 

Phantom III

1936-1939     

     727

     12

7338 cc

 
 

Phantom IV

1950-1956     

     18

    8

5700/6500 cc

 
 

Phantom V

1959-1968     

     516

    8

6230 cc

 
 

Phantom VI

1968-1990     

    374

     8

6230/6750 cc

 
 

 

 

   

 

 
 

 

 

 


Als een echte vreemde eend in de bijt staat achteraan een Volkswagen Kever. Die verwacht je hier niet. Je zou er bijna geen acht op slaan. Een Kever is immers nauwelijks een bijzonderheid. Dit is echter een hele vroege en daardoor zeldzame uit 1946, gemaakt in de periode dat de fabriek in Wolfsburg nog geleid werd door de Britse bezettingsmacht. Een Duits-Britse Volkswagen zou je kunnen zeggen. Het is een absoluut basismodel. Zelfs de bumpers en wieldoppen zijn gelakt. J.B. Nethercutt heeft er ooit over gezegd: “Volkswagen is the message that Detroit ingnored”. Zelfs in een museum waar met streeft naar het beste van het beste, gaat het wel eens mis. Als vestigingsplaats van de fabriek staat Berlijn genoemd, alsmede Wolfburg (zonder s).
 

Phantom I (New Phantom) 1930 - koetswerk Brewster & Co

Phantom II - 1932 - koetswerk: Brewster & Co

Phantom II - 1930 - koetswerk: Brewster & Co

Phantom III - 1937 - koetswerk: H.J. Mulliner

Phantom IV - 1956 - koetswerk: H.J. Mulliner

Phantom V - 1959-1968 en Phantom VI  - 1968-1990 - koetswerk resp. James Young en Mulliner Park Ward

Behalve de Phantom-serie staan er nog meer Rolls-Royces, zoals de Silver Ghost 1913 - koetswerk: H.J. Mulliner

Rolls-Royce 25/30 - 1937 - koetswerk: Gurney Nutting

Twee maal een Rolls-Royce Silver Wraith, beide door James Young van een koetswerk voorzien, in 1955 en 1958.

Een vreemde eend in de bijt: een Kever van het eerste uur.

Topolino
We gaan het bezoek aan Sylmar afronden. Achter het museum staat nog een oude stoomlocomotief met een Pullman-wagon, maar die laten we voor wat ze zijn. Er staat nog een kunstmuseum op het programma van vandaag: het Getty Museum. We werpen een laatste blik op de vitrines met onderdelen en (opnieuw) een serie Laliques. In een zijkamertje staan nog een paar modellen verdekt opgesteld, waaronder een ongerestaureerde (!) Bugatti Brescia (de uitzondering op de regel) en een American Austin, één van de kleinste auto’s van Amerikaanse makelij. Bij de restauratie van de Fiat 500 Topolino Belvedere zijn de spuiters wel erg in de vrije kür gegaan. Ze hebben een mix gemaakt van de versie met houten zijkanten en de latere variant met stalen flanken. Het is misschien niet onaardig, maar zo is het wagentje nooit uit de fabriek gerold, evenmin in deze tweekleuren-uitvoering.
We maken de balans op. Het was een verrassende en waardevolle kennismaking. Dank aan alle dames (en heren) in Amerika en daarbuiten die dit mogelijk hebben gemaakt door jarenlang niet te kiezen voor Chanel of Dior, maar voor Merle Norman. Hopelijk hebben de aankopen gezorgd voor eenzelfde aantrekkelijke indruk op anderen als de auto's vandaag op ons hebben gemaakt. 
 

In de crisistijd ontstonden de kleinste Amerikaanse auto's ooit: een Bantam (1933) en American Austin (1932).

Een Bugatti Brescia 1923 en een vrije interpretatie van de Fiat Topolino.

De 8-cilinder Kissel uit 1929 werd gemaakt door twee broers die oorspronkelijk uit Duitsland kwamen.

Een luchtgekoelde Franklin G uit 1906.

De Westinghouse is van 1907.

Deze Oldsmobile 1911 heeft de grootste wielen die ooit bij een personenwagen zijn toegepast.

American Underslung 1914 met een laag chassis (vering boven de assen) en daardoor lagere carrosserie.

Een Pierce-Arrow 1915 en Simplex-Crane van twee jaar later.

Deze luxe afgewerkte Packard van 1916 had twaalf cilinders onder de motorkap.

De vierde Duesenberg van de collectie, het Model A van 1923.

De Minerva AM van 1928 behoorde destijds tot de top van de markt.

Marmon werd bekend vanwege zijn 16-cilinders, maar maakte ook een "kleine" variant met acht.

Twaalf cilinders onder de kap van de Cadillac 1931.

Het kan nog imposanter: een Cadillac zestiencilinder van 1933.

Franklin hield vast aan de luchtkoeling. Dit model is van 1925. In 1934 was het afgelopen met het merk.

Twee Austro-Daimlers, beide een Alpine Sedan uit 1932, maar totaal verschillend van uiterlijk.

Medio jaren dertig gingen de auto's er heel anders uitzien, zoals de Graham 1937 en Hupmobile 1936 tonen.

Een fraai gevormde Lincoln 1938 met bijzondere raampartij.

Een Hudson 1952 en Packard 1956. De merken zouden in de jaren erna verdwijnen.

Een verlengde Cadillac, open Lincoln Continental en twee Corvettes: typisch Amerikaans en passend bij de collectie.