Healey Museum

Vreeland (NL)


 
●  Enige Healey Museum ter wereld
●  Hobby van hartstochtelijk liefhebber
●  Historie Donald Healey
●  Unieke modellen
●  Compleet bedrijfsarchief

 
november 2016
 

  


Brits erfgoed in goede Hollandse handen

Wie meer wil weten over Donald Healey en de naar hem genoemde klassieke Britse sportwagens, hoeft niet naar Engeland. De vrijwel complete erfenis met veel historisch materiaal wordt in Nederland bewaard en gekoesterd, met inbegrip van een aantal unieke modellen. Wat begon als een hobby groeide uit tot het levenswerk van een enthousiasteling die misschien wel meer weet over familie en auto’s dan wie dan ook. Hij weet er ook nog boeiend over te vertellen. Een verslag van een bijzondere ontmoeting op een mooie herfstdag.
  
 


De lage zon kleurt de omgeving nog mooier dan die normaal al is. We rijden over een smalle weg langs de Vecht, even buiten Vreeland. Aan de overkant staat een molen, tot villa verbouwd. De woonboten lijken onder architectuur ontworpen. Dit is bepaald niet het armste deel van Nederland. Onze bestemming is landgoed Groot Kantwijk van Cor van Zadelhoff. Op het terrein ligt één van de drie officiële polovelden van Nederland. Toch is het niet de sport die ons hierheen brengt. Het doel staat op een bordje aan de kant van de weg: Healey Museum. De pijl wijst naar de een gesloten hek. We bellen aan. Een blikken stem meldt zich en de poort gaat langzaam open. Op de met grote kunstzinnige beelden omgeven parkeerplaats is volop plek. We blijken de enige gasten te zijn op deze vrijdagmiddag in november.
 

Hoewel het beeldmerk van de Austin-Healey op de gevel staat, is het museum uitgebreider.

Ruim drie uur
Na vele bezoeken aan buitenlandse musea is het wel eens tijd dit initiatief in eigen land te gaan bekijken. Het museum bestaat al weer een paar jaar. Heel groot is het niet. Over een uurtje staan we weer buiten, is de verwachting. Daarna is het tijd voor de lunch. We slaan de plank volledig mis. Onze magen moeten langer geduld hebben. Het wordt een bezoek van ruim drie uur. Een onvergetelijk bezoek, dankzij het aanstekelijke en grenzeloze enthousiasme van oprichter en Healey-adept Hans van de Kerkhof. Hij laat ons binnen en nodigt ons meteen uit op de koffie. Er hangt een huiselijke sfeer. In de hoek staat een bar, daarvoor wat tafels en stoelen. We zien een kleine twintig auto’s, allemaal in uitstekende conditie. De meeste kennen we wel. Later zal echter blijken hoe bijzonder ze zijn. Vitrines met allerlei Healey-gerelateerde objecten en oude affiches maken duidelijk dat dit het werk is van een liefhebber. 
 

De volledige historie van Healey is hier bijeengebracht.

Unieke collectie
Met het woord liefhebber doe je Van de Kerkhof echter schromelijk tekort. Daar zijn er immers meer van. Hij is de enige ter wereld die Donald Healey en zijn producten tot centraal onderwerp van een museum heeft gemaakt. Net zo bevlogen als hij in pakweg een halve eeuw zijn unieke collectie bijeen heeft gebracht, weet hij erover te vertellen. Eenmaal gestart, loopt het woordenmotortje als een zonnetje. Hij rijgt de ene anekdote aan de andere om tot een prachtige historische kralenketting te komen. Zijn verhalen vervelen geen moment. De historie van Donald Healey zelf, zijn zoons, zijn medewerkers en zijn auto’s lopen in elkaar over, vermengd met de belevenissen van Van de Kerkhof zelf. Hij is een wandelende Healey-encyclopedie en schudt de feiten, cijfers en achtergronden moeiteloos uit de mouw alsof hij lid van de familie is en de auto’s zelf in elkaar heeft geschroefd.

 

Nergens ter wereld is zoveel historie van en over Healey bij elkaar gebracht.

Liefde op het eerste gezicht
Tijdens de koffie komt het verhaal over de achtergronden van dit privémuseum, ondergebracht in een zogeheten ANBI-stichting. Dat wil zeggen dat het initiatief is erkend als een instelling die zich voor minstens 90% inzet voor het algemeen nut. (ANBI is de afkorting voor Algemeen Nut Beogende Instelling). Dat is een mooie erkenning. De basis is tientallen jaren geleden gelegd. Als tiener raakt Van de Kerkhof onder de indruk van de Austin-Healey van iemand in de buurt. Hij woont dan in Amsterdam. Het is liefde op het eerste gezicht. Zo’n auto wil hij later ook. Een paar jaar daarna wordt die droom werkelijkheid, met her en der geleend geld. De dienstplicht dreigt tussenbeide te komen. Een vergoeding van twee gulden vijftig per week is niet genoeg om zo’n auto te kunnen rijden. De opleiding tot tankinstructeur biedt uitkomst. Hij moet er een paar maanden langer voor in het legergroen lopen, maar de Healey kan blijven. Na zijn dienst komt hij terecht in de zaak van zijn vader. Het bedrijf groeit uit tot een succesvolle groothandel en enkele winkels in passementen (de sierlijke koorden van uniformen, kostuums en chique gordijnen). De zaak is enkele jaren geleden verkocht.
 

 

Brochures van de Austin-Healey uit de tijd van Van de Kerkhofs jeugd.


Hier de brochure van de Healey 3000 MKIII.

Paardensport als decor. Dat is bij het Healey Museum niet anders.

De publiciteit sloot aan bij de sportsuccessen van de Healey.

De Healey Sprite, ook voor alledaags gebruik.

 

Collectie Healeys
Intussen groeit bij Van de Kerkhof de interesse in Healey. Na de eerste auto volgen er meer. Niet in plaats van, maar erbij. In zijn garage staan er op een gegeven moment wel acht achter elkaar. Hoe verder naar achteren, hoe minder van kwaliteit. Hij gaat zich steeds verder verdiepen in de auto’s, het merk en de achtergronden. Tijdens bijeenkomsten ontmoet hij soortgenoten. Vrienden en kennissen maken hem erop attent als ze iets tegenkomen waarin hij mogelijk interesse heeft. Hij bewaart alles wat maar in de verste verte een relatie heeft met Healey. “Ik had er de ruimte voor. Ik bewaarde, zonder gericht te verzamelen”. Naast alle automobilia heeft hij dan al een collectie bijzondere Healeys. Na de verkoop van de zaak komt er tijd om alles eens te ordenen. Het idee ontstaat om alles onder te brengen in een museum. Op het terrein van Van Zadelhoff is ruimte beschikbaar. In november 2012 opent het museum officieel de deuren. Het groeit uit tot het officieuze clubhuis van de Healey-club en fungeert geregeld als ontmoetingsplaats voor autoliefhebbers. De ruimte kan ook worden gehuurd voor zakelijke bijeenkomsten.
 

Overzicht van het Healey Museum. Niet groot, maar compleet en zeer verzorgd.

Donald Healey
Op het verzoek wat meer over de auto’s te vertellen, neemt Van de Kerkhof ons mee naar een grijze cabriolet. Dit is een van de oudste modellen. Maar om de auto goed te kunnen plaatsen, moeten we wat meer weten over de persoon Donald Mitchell Healey, geboren in 1898 in Perranporth (Cornwall), in het zuidwesten van Engeland. Het is een man met avontuurlijk bloed. Tijdens de Eerste Wereldoorlog laat hij zich inschrijven voor een opleiding tot piloot. Hij gaat in dienst bij de Britse luchtmacht. In 1917 gaat het bijna mis als hij deelneemt aan een rampzalige missie van de Britten tegen de Duitsers. Veel van zijn maten komen om, maar Healey raakt enkel gewond. Hij krijgt een baan op de grond. Snelheid blijft niettemin zijn passie, als het niet in de lucht is, dan op het land. Na de oorlog komt hij in de greep van de autowereld en begint een garagebedrijf. Dat is niet echt spannend. Hij rijdt liever rally’s.
 

Donald Healey op late leeftijd en tijdens vele prestatieritten. De foto's vormen de entree van het museum.


Montecarlo
Healey schrijft zich in 1929 in voor de Rallye van Montecarlo met een kleine Triumph Super 7 Saloon. Het wagentje weert zich kranig vanaf de start in Berlijn, maar mede door het slechte weer komt Healey net te laat in Montecarlo aan. Hij heeft extra reservewielen meegenomen en die hoog op de spatborden vastgemaakt. Ze belemmeren zijn zicht waardoor hij minder snel kan rijden dan gehoopt. Hij is boos, vooral op zichzelf. In 1930 neemt hij revanche door met eenzelfde Triumph opnieuw deel te nemen. Hij finisht dan als zesde. Hij trekt daarmee de aandacht van het merk Invicta en zet in 1932 de wedstrijd op zijn naam. Als eerbetoon heeft Van de Kerkhof in zijn museum zo’n oude Triumph staan, veel zeldzamer dan de Austin Seven uit dezelfde periode die vergelijkbaar, maar veel goedkoper was.
Healey heeft zijn garagebedrijf inmiddels verkocht en is aan de slag gegaan bij Riley en Triumph. Bij het laatste bedrijf klimt hij op tot technisch directeur. Hij wil echter meer: een eigen bedrijf en een sportwagen met zijn naam erop. Bovendien gaat Triumph in 1939 failliet. Door de Tweede Wereldoorlog duurt het nog jaren voor de wens in vervulling kan gaan.
 

Eerbetoon aan de prestatie bij de Monte Carlo Rallye met de kleine Triumph Super Seven.

Healey Motor Company
In 1945 ontstaat de Donald Healey Motor Company Ltd met als thuisbasis een oude romneyloods in Warwick. Specialiteit van het bedrijf zijn dure sportwagens. Het chassis is een eigen ontwerp, de motoren worden ingekocht en gerenommeerde carrosseriebouwers zorgen voor het uiterlijk. “Healey was uitgekookt en kocht slim in”, weet Van de Kerkhof te vertellen. “Hij gebruikte aluminium dat was overgebleven van de productie van vliegtuigen en na de oorlog gemakkelijker te krijgen was dan staal. Het instrumentenpaneel was van plexiglas, afkomstig van de koepels van bommenwerpers”. Hij wijst naar een vitrine waar zo’n deel van het dashboard ligt en vervolgt: “Voor de techniek keek Healey naar auto’s die minder succesvol waren dan verwacht. Er waren dan voldoende motoren die je tegen een zacht prijsje kon kopen. In de beginjaren viel de keuze op Riley omdat hij die motoren kende van vroeger”.
 

Alles wat je ziet heeft een relatie met Healey.

Duncan en Sportsmobile
We staan nog altijd bij de zilvergrijze cabriolet. Het is een Duncan uit 1947. Healey brengt niet alleen eigen modellen uit, maar levert ook chassis aan anderen. Tussen 1946 en 1948 gaan er veertig naar Duncan, voorzien van een Riley-motor. Negen ervan bestaan nog. Van de veertig krijgen twee een open koetswerk. De enige die is overgebleven staat hier. De auto behoort in die tijd tot de snelste ter wereld.
Naast de Duncan staat een knalrode Healey Sportsmobile, bedoeld voor de Amerikaanse markt. Het is niet moeders allermooiste, moet ook de eigenaar toegeven, terwijl de auto wel peperduur was. Meer dan 24 zijn er dan ook niet van verkocht. Daar kun je geen onderneming van laten bestaan. Er moet meer geld binnenkomen. Dat komt er ook, door een samenwerking met de Amerikaanse fabrikant Nash. Tussen 1951 en 1954 worden ruim vijfhonderd Nash-Healeys gebouwd.
 

Duncan 1947 op basis van een Healey-chassis en met een 2,4 liter Riley-motor.

Dit is de enige overgebleven Duncan-Healey Convertible.

Healey Sportsmobile, voor de Amerikaanse markt gemaakt. Let op de rechthoekige wielkasten.

Niet het mooiste ontwerp en ook nog eens peperduur. Slechts 24 klanten hadden belangstelling.

Nash-Healey
De samenwerking tussen beide merken ontstaat min of meer toevallig. Donald Healey reist met de Queen Elizabeth naar Amerika met de bedoeling bij Cadillac achtcilinder motoren te kopen om zijn sportwagens extra vermogen te geven. Aan boord ontmoet hij George Walter Mason, de topman van Nash, die hem voorspelt dat zijn missie kansloos is. Cadillac heeft alle motoren zelf nodig en zal er geen willen verkopen. Waarom geen zescilinder van Nash? Het klikt tussen beide mannen, al was het maar vanwege hun gezamenlijke interesse voor fotocamera’s. Het contact leidt tot een samenwerking die verder gaat dan de levering van motoren. Het Amerikaanse bedrijf neemt de Britse sportwagen op in zijn leveringsprogramma. Voor de vormgeving van de tweede generatie schakelt Nash de Italiaanse grootmeester Pininfarina in. Een aantrekkelijke cabriolet en coupé zijn het resultaat, al zijn de auto’s buitengewoon prijzig. Dat komt onder meer door de omslachtige productie. Nash zendt motoren en aandrijving naar Engeland, Healey monteert die en stuurt het chassis vervolgens naar Italië waar Pininfarina er een koetswerk op zet. Vervolgens gaat dat voor de eindmontage weer terug naar Nash.
 

Italiaans ontwerp, Amerikaans hart en Brits onderstel: de Nash-Healey naar ontwerp van Pininfarina.

De ingewikkelde productie in drie landen maakte de auto duur en exclusief.

Silverstone
Onze rondgang verloopt niet helemaal chronologisch. Voordat Healey de samenwerking met Nash aangaat, heeft hij voor liefhebbers van snelheid al een kleine sportwagen ontwikkeld, de Silverstone. Door de week kan je ermee over straat, in het weekend voelt-ie zich thuis op het circuit. Je haalt er dan gewoon de spatborden af en laat de ruit in het koetswerk zakken. Met het ene daalt het gewicht, met het andere de luchtweerstand. De koplampen, kwetsbaar op de baan, zijn netjes beschermd door de grille. Opnieuw komt de motor van Riley. Healey doet er alles aan om gewicht te besparen. De eis voor een achterbumper, gesteld door de organisatoren van de Mille Miglia, is een hinderlijke beperking. De oplossing is even simpel als vindingrijk. Hij laat het horizontaal liggende reservewiel een klein beetje naar achteren uitsteken. Het idee vindt instemming en wordt goedgekeurd. In totaal zijn er van dit model 105 stuks gemaakt. Het model geniet bekendheid in kennerskringen, maar Healey blijft voor het grote publiek nauwelijks zichtbaar, ook na de deal met Nash. De grote klapper moet nog komen.
 

Healey Silverstone, voor op de weg én het circuit.

De spatborden konden worden gedemonteerd en de voorruit zakte in het koetswerk.

Healey 100
Dat de naam van ook nu nog bekend is, is te danken aan de zoon van Donald, weet onze gastheer te vertellen. Geoffrey werkt inmiddels binnen de onderneming nauw met zijn vader samen en zal dat nog jaren doen. Het bedrijf heeft in 1952 een nieuwe sportwagen ontwikkeld, getekend door Gerry Coker, een begenadigd ontwerper. Het is de bedoeling de auto tijdens de autotentoonstelling van Earls Court in Londen te presenteren. De naam: Healey 100. Het getal verwijst naar de topsnelheid in Britse mijlen (net als bij de Jaguar XK 120). Bij tests blijkt de naald van de snelheidsmeter echter bij 96 mijl te blijven steken. De top kan niet worden waargemaakt. Er komt een inventieve oplossing: door een vernuftige constructie ontstaat de mogelijkheid de voorruit schuiner te zetten. De beoogde snelheid wordt alsnog gehaald en zelfs met enkele mijlen overschreden. Toch is Healey onzeker of hij de auto moet introduceren. Hij vreest dat het publiek de auto zal afwijzen, wat het einde van zijn bedrijf kan betekenen. Bovendien staat de vorm van de grille hem niet aan. Hij overweegt weg te blijven met zijn creatie. Zijn zoon haalt hem over dat niet te doen. De huur van de stand is immers al betaald. Toeval of voorgevoel? De Healey 100 wordt in elk geval de ster van de show.

 

Links: de 100 was aanvankelijk een echte tweezitter. Rechts: de ingenieuze voorruitconstructie.

Austin-Healey
De aantrekkelijk sportwagen trekt de aandacht van Leonard Lord, leider van Austin. Zo’n model kan hij wel gebruiken in de showroom van zijn dealers. Healey kan echter in zijn kleine fabriek nooit de aantallen maken die Lord in zijn hoofd heeft. Nog tijdens de tentoonstelling sluiten ze een overeenkomst. Austin gaat de auto bouwen en verkopen en betaalt Healey een vergoeding. Het maken van het koetswerk wordt uitbesteed aan Jensen.
Het is een unicum dat een auto tijdens een autotentoonstelling van naam verandert. Bij de opening van de show staat er nog Healey op de neus, bij het slot Austin-Healey. Het originele eerste merkplaatje is er nog steeds. Het ligt – waar anders? – bij Van de Kerkhof in de vitrine!
Als vervolg op de overeenkomst worden negentien prototypes gebouwd, uiteraard met een nieuwe grille. De auto die in 1953 naar de tentoonstelling van Turijn gaat, staat nu hier in Vreeland. Kenteken AHX 11: Austin-Healey prototype nummer 11. Net als toen maken de verchroomde draadspaakwielen en remtrommels indruk.
 

Nummer 11 van de eerste serie van 19, destijds de ster op de show in Turijn.

De verchroomde draadspaakwielen en remtrommels waren er alleen bij het showmodel voor tentoonstellingen. 

Staal en aluminium
In de begintijd gebruikt men voor de carrosserie zowel staal als aluminium. Dat is geen probleem voor de Britse thuismarkt, maar wel voor de export. Tijdens het transport raakt het zachte, kwetsbare aluminium vaak beschadigd. Bovendien zijn er gebieden waar het knap warm kan worden. Van de Kerkhof wijst op de motorkap van een beige model. Door de verschillende uitzettingscoëfficiënten van de stalen en aluminium onderdelen is die veranderd van een glad naar een golvend oppervlak. Dat vinden de klanten niet leuk.
De carrosserie leverde meer problemen op, vertelt onze kenner. Het materiaal van de achterspatborden was te dun. Bij hoge snelheden bogen ze door de wind naar buiten. Door de ‘vouw’ bij de flanken door te trekken achter de wielen, werd het spatbord stijver. De getoonde auto is er trouwens een van een kleine serie, gespoten in Koninklijk Coronet Cream, ter ere van de kroning van Koningin Elisabeth.
 

De eerste jaren waren er een paar carrosserieproblemen. Deze 100 is gespoten in een exclusieve Koninklijke kleur.
 

Wolseley-motor
De Austin-Healey 100 is een schot in de roos. Leonard Lord heeft het goed gezien. De meeste auto’s gaan naar klanten in Amerika. Omdat de viercilinder motor uit productie gaat, moet Healey op zoek naar vervanging. Hij vindt een geschikte zescilinder bij Wolseley. Er is echter een probleem. De motor is groter en kan niet door het gat van de motorkap naar binnen worden gelepeld. Healey ontwikkelt een nieuw chassis met een subframe, zodat de motor van onderuit kan worden gemonteerd. Tegelijkertijd laat hij de carrosserie aanpassen. De tweezitter wordt een 2+2, vermoedelijk vanwege gunstiger belastingregels in Amerika. Met een achterbank is het een personenwagen geworden, ook al kunnen er alleen mensen zonder benen zitten. Het nieuwe ontwerp met het subframe vindt echter geen genade. Er wordt besloten de neus te verlengen en het gat van de motorkap te vergroten. De 100/6 is geboren, herkenbaar aan de ovale grille.
 

Om de montage van een zescilinder mogelijk te maken werd de neus verlengd en de motorkap vergroot.

In het typeplaatje werd de 6 verwerkt.

BN3
Het prototype van de gewijzigde 100 leek verloren gegaan, totdat iemand in Canada een roestige, afgedankte auto vindt met een afwijkend chassisnummer. Kenners spreken van de BN3. De vondst is voor een adept als Van de Kerkhof als een teruggevonden oude meester voor een kunstkenner. Het studiemodel staat nu, in mat zilvergrijs gespoten, als pronkstuk in het museum. Op een spiegel, zodat je het subframe ziet. Als je de kofferklep opent – dat mag natuurlijk alleen de eigenaar doen – zie je duidelijk het grove laswerk dat past bij een prototype en de provisorische plaats van de benzinetank. Opmerkelijk is het achterspatbord zonder ‘vouw’. Dat lag kennelijk nog ergens. Aan de muur hangt een foto van de auto zoals die destijds is aangetroffen in Canada. Terwijl we de auto bekijken, wordt aandacht gevraagd voor een grote houten kast die erboven hangt. Het is de originele prijzenkast van Healey, compleet met bekers van gewonnen rally’s. Een tastbare erfenis van een roemrijke periode.
 

Verloren gewaand maar teruggevonden: prototype BN3 met een afwijkend chassis.

De Wolseley-motor kon niet door het gat.

Voor het prototype werd een oud model achterspatbord gebruikt, zonder 'vouw'.

Zo werd de wagen in Canada aangetroffen.

Healey Sprite
De Austin-Healey ontwikkelt zich verder en gaat met de tijd mee. De inhoud van de zescilinder groeit tot drie liter. Er komt meer luxe en comfort: een gekromde voorruit, neerdraaibare zijruiten, een echte convertiblekap en op het laatst een houten dashboard. De grote Healey heeft er inmiddels een kleiner broertje bijgekregen: de Sprite. Het is een goedkoop en spartaans sportwagentje dat meelift op het succes van zijn stalgenoot. Om de prijs laag te houden ontbreekt een kofferklep en wordt afgezien van wegklapbare koplampen. In plaats daarvan komen vaste lampen boven op de motorkap. Ze zorgen voor de bijnaam frogeye (kikkeroog). Vandaag de dag is dat originele model veel populairder dan de luxere, maar veel minder uitgesproken tweede generatie. Van die laatste heeft onze enthousiaste fan een Amerikaanse uitvoering weten te bemachtigen. De bumperbeugel en banden met witte zijvlakken vallen meteen op. Van de Kerkhof weet te melden dat de zwarte kleur en de kleur van de kap destijds niet standaard waren. Het is een auto met een treurige historie. De berijder raakte betrokken bij een ongeluk waaraan hij later overleed. De wagen is later niettemin opgeknapt en heeft slechts 1753 mijlen op de klok staan.

 

Onder: het laatste model uit de reeks, een Healey 3000 MK III.

Een houten dashboard, luxe kap en dubbele achterlichten onderscheiden de auto van zijn voorgangers.

Importeur Stokvis maakte destijds ansichtkaarten als reclamemiddel voor de Austin Healey-modellen.

Boven de ingang is een Healey Sprite van de eerste generatie neergezet.

Bij de frogeye klapte de hele voorkant naar boven; rechts de tweede generatie. 

De Amerikaanse Sprite - met bumperbeugel en banden met witte zijvlakken - heeft een bewogen en trieste geschiedenis.

Een Austin-Healey Sebring Sprite uit 1965. Er zijn er maar twee van gemaakt.

Healey 4000
Als opvolger van de 3000 komt Donald Healey met een vernieuwd model. Als krachtbron kiest hij een vier liter Rolls-Royce motor, gebruikt in de Vanden Plas Princess 4 Litre R. De keuze is niet verrassend. De Vanden Plas kan maar weinig klanten bekoren. Er zijn genoeg motoren beschikbaar. Om alles passend te krijgen, gaat de zaag in de lengterichting in chassis en carrosserie. De auto wordt 15 centimeter breder. Verder dan het prototypestadium komt het niet. Door de grote fusie van de Britse automerken ontstaat in 1968 de British Leyland Motor Corporation. Het nieuwe concern heeft dan de Jaguar E-Type, MG’s en Triumphs in huis. Aan een Healey is geen behoefte meer. Bovendien, weet Van de Kerkhof te vertellen, boterde het niet tussen BLMC-topman Lord Stokes en Donald Healey.

 

De opvolger van de 3000 die er nooit zou komen.

Nergens Austin; de definitieve scheiding kondigde zich aan. Wel prominent de naam van Rolls-Royce.

Links is duidelijk de grotere breedte te zien.

Jensen
Dat ook het vier liter proefmodel in Vreeland staat, verbaast ons inmiddels niet meer. Achterop zien we twee merkplaatjes: Healey en Rolls-Royce. De scheiding met Austin is in gang gezet. De kleine Sprite wordt nog doorgebouwd maar krijgt concurrentie in eigen huis van de MG Midget die er rechtstreeks van is afgeleid.
Healey gaat een nieuw avontuur aan en koopt Jensen. Hij wordt er niet gelukkig van. De Jensen-Healey is commercieel een flop vanwege de teleurstellende bouwkwaliteit. De succesvolle coureur en welgestelde zakenman van weleer overlijdt in 1988.
We kijken rond, maar nergens is een Jensen-Healey te zien. Dat is merkwaardig. Van de Kerkhof begrijpt de verbazing en legt uit dat er momenteel een wordt opgeknapt. Die zal later een plaats in het museum krijgen. Een mooie reden nog eens terug te komen.
 
 

Folder van de Jensen-Healey. De auto mist nu nog in de collectie. 

Eigen auto
Al pratend komen we bij de eigen auto van de museumvoorzitter en -oprichter. Het is een metallic groene 100M met extra louvres in de motorkap en een leren riem om de kap vast te maken. Dat is een eis bij de deelname aan de 24-uur van Le Mans. De auto is in een aantal opzichten aangepast aan de wensen van zijn huidige berijder. Achter de grote voorruit zit een klein halfrond ruitje voorzien van de letters AH. Dat is nu voornamelijk voor de show. Vroeger werd de grote voorruit tijdens races verwijderd. Zo’n ruitje is een exclusiviteit. Er is bijzonder moeilijk aan te komen. Verder heeft Van de Kerkhof de twee 6 volts accu’s vervangen door één 12 volts en er een extra accu in laten zetten. De benzinevuldop is verplaatst van de kofferruimte naar de buitenkant. Als hij met zijn vrouw op reis ging, stonken hun kleren naar benzine. Dan mag je nog zo’n autofanaat zijn, er zijn grenzen.
 

De auto van Hans van de Kerkhof zelf, een 100M met persoonlijke aanpassingen.

De tankvuldop ging naar buiten; dat is wel zo prettig voor de kleren.

De 'vouw' aan de zijkant werd doorgestrokken achter het wiel om het spatbord steviger te maken.

Archief
De gastheer vervolgt zijn verhaal. Zijn passie gaat nog veel verder dan tot nu toe is gebleken. Hij toont ons het hele archief van Healey. Relaties vragen zich wel eens af wat je moet met al die mappen met oud papier. Wij snappen hem. Wat is er mooier dan de originele persfoto’s, briefwisselingen en rekeningen in je handen te kunnen houden? Dit is samengebalde historie. Hij haalt de originele foto tevoorschijn van de auto die in 1952 op Earls Court stond, met de door Healey afgekeurde grille. Er komt een originele factuur ter tafel. Geleverd: één Austin Healey voor de somma van tweeduizend pond. Het is een half A4-tje, zoals er honderden in de mappen moeten zitten. Hans van de Kerkhof is blij dat het archief compleet en bij elkaar is gebleven en niet foto per foto op E-bay terecht is gekomen.
Er is nog meer. Hij trekt een la open en legt tekeningen neer die destijds met pen en potlood zijn gemaakt. Een ervan laat zien hoe je van de drieversnellingsbak van een vroege Healey een vierbak kunt maken. Het is een kwestie van een nokje afvijlen. De bak is namelijk afgeleid van een vierversnellingsbak van een Austin Taxi, waarbij men door dat extra nokje de één heeft laten vervallen. Dat verklaart ook het afwijkende schakelpatroon van de sportwagen.
 

De originele persfoto van de eerste Healey 100 ligt in het archief in Vreeland.

Coupé Donald Healey
Deze collectioneur lijkt alles over te hebben voor zijn passie. Toch is dat niet zo. Soms moet je nee zeggen. Eind 2015 komt bij veilinghuis Bonhams de privéauto van Donald Healey onder de hamer. Het is een 100S Coupé. Van dat type zijn er maar twee gemaakt. Natuurlijk wil je zo’n auto in je verzameling, maar al bij het horen van de minimumprijs haakt Van de Kerkhof af. Een goede vriend gaat voor de gein toch naar de veiling. Hij is ook een Healey-fan. Voor hem is de verleiding te groot. Hij kan de rode coupé bij het afhameren op driekwart miljoen euro de zijne noemen. Even gepassioneerd als onze gastheer heeft hij de unieke auto in bruikleen afgestaan voor de collectie in Vreeland. Dat is mooi, want waar op de wereld is er een beter plekje dan hier?
Het achterruitje kan open. Dat is meer dan een grapje. In zo’n Austin-Healey kan het knap warm worden, weet Van de Kerkhof uit eigen ervaring. Er is niet veel warme-isolatie. Je zit vlak bij de motor en de aandrijving. Zelfs je mooiste geliefde is niet ideaal.
 

De waardevolste auto is de coupé waarin Donald Healey zelf reed.

Van de coupé zijn er maar twee gemaakt. Voor de noodzakelijke ventilatie kon de achterruit open.

In bruikleen, maar deze wagen hoort gewoon hier.

Bioscoopzaaltje
Als een spons zuigen we alle verhalen en anekdotes op. Deze man weet echt álles over het onderwerp Healey. Hij neemt ons mee naar een bioscoopzaaltje en vertoont een film over de familie die in 1968 door een Engelse productiemaatschappij is gemaakt en door de BBC werd uitgezonden. Of beter: hij laat een digitale reconstructie zien. Het origineel was zo aangetast dat de film onbruikbaar was geworden. Een gespecialiseerd bedrijf heeft beeldje voor beeldje bewerkt. De historie letterlijk laten vervagen, dat kon onze liefhebber niet over zijn hart verkrijgen. Het geluid is trouwens niet origineel, maar later ingesproken. Ook daarover wordt een anekdote opgedist. De originele geluidsband was gescheiden van de beelden en is verloren gegaan. Het verhaal wil dat de beide zoons van Healey op gespannen voet met elkaar leefden en dat de een de beelden en de ander het geluid bezat.

 

Healeys prijzenkast en zijn latere bezigheid en interesse: het elektronisch orgel.

Boven staan enkele trapauto's. Ook kinderen willen een Healey!

Tekeningen van nooit gerealiseerde projecten.

Herfstzon
Na nog een uitgebreide blik op de vitrines met schaalmodellen, tekeningen van nooit gerealiseerde ideeën, trapauto’s en een elektronisch orgel (een latere bezigheid van Donald Healey), nemen we hartelijk afscheid. Een betere hoeder van het Healey-erfgoed dan deze bevlogen Hollandse liefhebber is ondenkbaar. En dan ook nog in zo’n mooie omgeving.
Als we vertrekken, schijnt de herfstzon nog altijd door de bomen. Het is in vele opzichten een onverwacht mooie dag geworden. Als het minder fris zou zijn geweest een ideale dag om er met je open klassieke sportwagen op uit te trekken. DMH zou het vast prachtig hebben gevonden.
 

Vitrines vol met schaalmodellen. 

Vele merken maakten een kleine versie van de Austin-Healey.

Blikken modellen en de vertrouwde Dinky Toys.

Spot On was een Britse speelgoedautootjesfabrikant. De Austin-Healey is de zescilinder.

Deze Sprites zijn ook te koop, in open of gesloten uitvoering.

 

 

   Bijlage: Nog meer Healey's


Tijdens eerdere bezoeken aan andere locaties kwamen we ook auto's van Healey tegen. Hieronder als aanvulling op het bovenstaande verhaal een klein overzicht.

Een Westland-Healey 1947 tijdens het Concours d'Elégance Apeldoorn in 2012.

Van dit model zijn er nog maar drie overgebleven.

Nash-Healey coupé in Autoworld in Brussel.

De coupé is van de eerste serie. De tweede serie had een panoramische achterruit.

Vroege Healey's, na en voor een grondige restauratie.

Mooie presentatie in Apeldoorn van een viercilinder 100.

Een Kikkeroog tijdens een show in Zoetermeer in 2012.

Het ontbreken van de kofferklep is hier duidelijk te zien.

Healey Sprites te koop bij Joop Stolze in De Lier (in september 2016). 

Austin-Healey Sebring Sprite 1958, geshowd bij het Concours d'Elégance 2016 in Apeldoorn. 

Een Healey 100, in december 2014 te koop bij Classic Park in Boxtel.

Vier jaar eerder stond deze Healey 100 met extra lampen bij een handelaar in Düsseldorf.

De langere neus en grotere motorkap van de zescilinder (links) komen hier mooi in beeld. 

Nogmaals de zescilinder (boven) en de viercilinder.

Een 3000 MK III tijdens de bijeenkomst in Zoetermeer.

Ook deze 3000 werd gesignaleerd in Zoetermeer, tijdens een jaarlijkse old timershow.

Draadspaakwielen geven een extra sportief accent, maar zijn door de vleugelmoeren wel gevaarlijk.

Let op: dit is een replica: een HMC (Holmes Motor Company) in augustus 2009 gespot in het Britse Cheltenheam.

 Onder de motorkap ligt een 3,9 liter Rover V8-motor.

Gezien op een parkeerplaats in Den Haag: een Jensen-Healey, de auto die in Vreeland nog ontbreekt.