Miniatur Wunderland /
Museum Prototyp


Hamburg (D)




●  Duizenden auto's in het klein
●  Beleveniswereld voor jong en oud 
●  Museum met bijzondere auto's
●  Nadruk op VW en Porsche
●  Unieke prototypen 


oktober 2015
 

  


Boeiende uren in het havengebied 
 

Hafencity, het vroegere havengebied van Hamburg, ontwikkelt zich tot een nieuw stadsdeel met allure. Oude gebouwen krijgen nieuwe bestemmingen. Handelsbedrijven en kantoren hebben er hun intrek genomen, net als enkele toeristische attracties. Op een miezerige vrijdagochtend in oktober bezoeken we er twee. Ze bezorgen de autoliefhebber een aangenaam verblijf.
 

 

Miniatur Wunderland

Het wordt langzaam donker. De avond breekt aan. Toeristen op de bovenetage van de open dubbeldekker maken foto’s. Vanwege het beperkte licht flitsen hun camera’s. De bus rijdt verder, geeft richting aan en gaat de bocht om. De passagiers realiseren zich vast niet dat even verderop een vrachtwagen in brand staat. Rookwolken stijgen op uit de oplegger. De beplating van de trailer is al gedeeltelijk gesmolten. Brandweerwagens met loeiende sirenes rukken uit. Ambulances en politieauto’s zijn snel ter plaatse. Er komen er steeds meer. Hun blauwe en rode zwaailichten steken schril af tegen de donkere omgeving. Het is een heel schouwspel.
Intussen gaat het leven in de stad verder. Treinen rijden af en aan. Op het vliegveld kiezen vliegtuigen het luchtruim en komen toestellen binnen. Ze taxiën naar de aankomsthal. De banen zijn met knipperende lichten gemarkeerd. Op de parkeerplaats zoeken passagiers hun auto. Het is weer dag geworden. Er gebeurt van alles en nog wat. Een oude Renault 4 moet worden aangeduwd. Jongeren met hanenkammen verklaren een rijder van een Lamborghini voor gek dat hij zo’n auto rijdt. Een rijke sjeik probeert zijn huisdier, een leeuw, op de achterbank van een Mercedes 600 te krijgen, terwijl zijn bedienden met meer aankopen aankomen dan de kofferbak kan opslokken. Twee dames in een Volkswagen Karmann Ghia hebben zich uitgekleed om in hun cabrio te gaan zonnen. Dit alles speelt zich recht voor onze ogen af. Op de vierde etage van een oud pakhuis in de oude Hamburgse haven.
 

Brandweer en politie komen aanrijden: een vrachtwagen staat in brand.

Een feeërieke sfeer als het nacht is geworden in Miniaturwelt. Dat gebeurt ieder kwartier.

Een vliegtuig stijgt op van de luchthaven.

Overdag zijn de details goed zichtbaar.

De Renault 4 op de parkeerplaats moet aangeduwd worden.

Wie goed kijkt, ziet vele humoristische taferelen.

Dat is niet voor alternatievelingen, zo'n Lamborghini.

Wunderland
We zijn terechtgekomen in een 87 keer verkleinde wereld. Momenten van kinderlijke verrassing en volwassen fascinatie vloeien in elkaar over. Leeftijd speelt opeens geen rol meer. Oud en jong hebben evenveel plezier. Miniatur Wunderland prijst zichzelf aan als de grootste modelspoorbaan ter wereld. Dat is ongetwijfeld zo, maar met zo’n omschrijving doen ze zichzelf tekort. Je hoeft geen treinenfanaat te zijn om je hier een paar uur te kunnen vermaken. In een van hun artikelen adviseerden redacteuren van het gerenommeerde Duitse blad AutoBild autoliefhebbers er eens te gaan kijken. Het is een goed advies. De wondere miniatuurwereld is alleen al vanwege de duizenden kleine autootjes de entreeprijs meer dan waard. Bij de luchthaven staan er 4500 geparkeerd. Tientallen taxi’s staan te wachten op hun klanten. Een aantal heeft de lichten aan. Elders zit meer beweging in het verkeer. In totaal rijden er 930 treinen en 250 auto’s. Er branden meer dan 335.000 lampjes.

 

De kermis is weer in de stad.

En draait dag en nacht door.

Taxistandplaats van de luchthaven.

Duizenden auto's op de parkeerplaatsen.

Specialisten
De combinatie van indrukwekkende decorbouw, ingenieuze techniek en humoristische details verklaart het succes. Dit is het gezamenlijke werk van fanatieke specialisten op verschillende terreinen. Mensen die van hun hobby werk hebben gemaakt. Die liefde hebben voor details. Dit is de creatie van technische geesten die 46 computers gebruiken om onder meer de treinen en auto’s aan te sturen en de verlichting te regelen. Dit is het werkterrein van ambachtelijke bouwers die de werkelijkheid tot in detail in het klein willen herscheppen. En dit is ook de wereld van creatievelingen die de bezoeker steeds verrassen met hun gekke invallen. Je moet er maar opkomen: een giraf in een auto met zijn hoofd uit het schuifdak en door elk raam een poot. Of een man die voor zijn Citroën HY-bestelbus met antennes buitenaardse wezens aan het opsporen is. Wie niet de tijd neemt en slechts oppervlakkig kijkt, ontgaat veel.
 

Terwijl iemand wacht op buitenaardse signalen, bestrijdt de brandweer de brand in het dal.

Panorama’s
Op twee verdiepingen hebben de 400 medewerkers acht sfeerwerelden gecreëerd, van moederstad Hamburg, Midden-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland tot Scandinavië en de Verenigde Staten. Op 1300 vierkante meter trekken vele panorama’s aan je voorbij. Las Vegas met zijn lichtreclames, besneeuwde bergdorpen, stationsemplacementen, havens, een circus, een voetbalstadion, een muziektheater: je staat er met je neus bovenop. De luchthaven is de jongste aanwinst. Maar het werk is nog niet af. Italië is in aanbouw. Daarna staan Frankrijk en Monaco op het programma en in 2018 Engeland.
Licht en beweging zijn de smaakmakers. Een mooi nagemaakt landschap met treintjes heeft iedereen wel eens gezien, zij het kleiner. Af en aan rijdende auto’s met richtingaanwijzers en zwaailichten, bewegende kabelbanen, opstijgende vliegtuigen en boten die hun weg zoeken tussen de zandbanken is toch andere koek. Een dag duurt hier een kwartier. Dag en nacht wisselen elkaar voortdurend af. De avond zorgt voor een feeërieke sfeer, overdag kun je de details goed bekijken.
 

Een oud fabrieksterrein ziet er ook echt oud uit.

Het slot met de kasteeltuinen.

Een stuk Amerika met typisch Amerikaanse trucks.

Las Vegas is ook hier een bonte gebeurtenis met flikkerende lichtreclames.

Italië is in de maak. 

Auto’s
De verantwoordelijken voor de auto’s hebben verstand van zaken. Over het wagenpark in de verschillende decors is goed nagedacht. In Amerika rijden trucks, brandweerwagens en personenauto’s die je alleen daar ziet. Er zijn opvallend veel SUV’s op de weg, aangevuld met de in dat land populaire Volkswagen Beetle. In Scandinavië is het percentage Volvo’s groter dan elders. De bezoekers aan een alternatieve camping hebben even alternatieve vervoermiddelen. Door een schilderachtige omgeving toert een klassieker. In Duitsland is nog sporadisch een oude Trabant tussen de Golfjes te ontdekken. Ongetwijfeld rijden straks in Rome rond het Colosseum veel Smarts en Fiats 500. Het zijn de details die, buiten de omvang, zorgen voor de bewondering.
Naast de landschappen brengt Wunderland in acht vitrines de ontwikkeling van Duitsland in beeld: van de opkomst van de industrialisering in het begin van de 20e eeuw via de verwoestingen tijdens de oorlog, de periode van de wederopbouw, de scheiding tussen Oost en West tot aan de eenwording in 1990. Alles met hetzelfde gevoel voor detail dat we eerder opmerkten.
 

Een festival met vele bezoekers.

Een Volkswagen Transporter op een Duitse camping en een Volvo P544 ergens in Zweden.

Hier zijn de Smart-torens nog in gebruik. Het nieuwste type staat er in.

Duitsland direct na de Tweede Wereldoorlog.

De opening van 'de Muur' in 1989.

Druk
De website adviseert vroeg te komen. Dat is inderdaad verstandig. Als we om half negen binnen gaan, is alles nog goed te zien. Bij het vertrek, een uurtje of wat later, is het al behoorlijk druk. Je kunt niet meer overal dichtbij komen om alle details te zien. En dan is het nog een doordeweekse dag buiten de vakantieperiode. In de zomer schijnen er rijen voor de ingang te staan die doen denken aan internationaal beroemde kunstmusea. Bijna 13,5 miljoen mensen hebben Wunderland bezocht sinds de opening begin deze eeuw. Een elektronisch bord geeft aan waar ze vandaan kwamen. Bijna twee miljoen – niet verwonderlijk – uit de deelstaat Niedersachsen, ruim 90.000 uit Amerika, ruim 50.000 uit Rusland en 29.000 uit China. Vijf bezoekers gaven aan in Vaticaanstad te wonen, drie op de Samoa-eilanden en twee inwoners van Tuvalu kwamen op bezoek. Vanochtend hebben we het aantal Nederlanders met twee vermeerderd tot 52.818.
 

Het oude havengebied heeft mooie oude gebouwen.

Nu nog maar 3 in Duitsland, binnenkort meer? Tankstation voor waterstof.

Nee, geen vertekende foto, maar een 'grap' van de archirect.

 

  


Museum Prototyp

We verlaten de kleine wereld en gaan naar onze tweede bestemming in het havengebied: automuseum Prototyp. Het is een klein kwartiertje wandelen. Op weg naar de gróte auto’s. Het wordt een hernieuwde kennismaking na ruim drie jaar. Oude hoge gebouwen van rode baksteen, aangevuld met verrassende moderne nieuwbouw en oude ijzeren bruggen vormen het decor. Nu is de schaal één op één. Straten en stoepen zijn nog nieuw. Alles is schoon; geen graffiti op de muren, geen vuil op straat, geen rondslingerende fietsen. Hafencity is een chique zakenwijk. Hier wordt met het verleden als fundament naar de toekomst gekeken. Het is vast niet toevallig dat hier één van de drie waterstof-tankstations staat die Shell in Duitsland exploiteert. Het zullen er komende jaren veel meer worden. Toch is het niet de toekomst maar het verleden dat ons hier brengt. De tijd van katalysatorloze motoren zonder elektronica en van auto’s zonder kreukelzones.
Voor Prototyp moet je even door het zand. Letterlijk. Er wordt aan de weg gewerkt. ‘Het doel is bereikt’ schreeuwt de reclame op de zijkant van het pand passanten toe. Voor ons klopt het. We stappen voor de tweede keer vandaag uit de alledaagse werkelijkheid een andere wereld binnen. Dit keer een wereld van bijzondere auto’s, racewagens, prototypen en stoere mannen.
 

Het doel is bereikt....dat kun je op vele manieren invullen! 

Voor Prototyp moet je even letterlijk door het zand.

Modern
De opzet van het particuliere museum – opgericht door de zakenlieden Oliver Schmidt en Thomas König – past helemaal bij de omgeving. Oud en nieuw zijn smaakvol verweven tot één geheel. De hoofdzaal op de eerste verdieping is modern ingericht. Wit domineert. Het voelt niet aan als een museum. Meer als een galerie waar je direct thuis bent. De ruimte is overzichtelijk. Je kunt overal bij, behalve bij de wagens in de werkplaats. Die staan achter glas. De tentoongestelde auto’s komen goed tot hun recht. Er is veel achtergrondinformatie, over de auto’s en over de mensen die ermee verbonden waren. De coureurs Otto Mathé (1907-1995) en Petermax Müller (1912-2002) bijvoorbeeld. Zij pakten in het verslagen Duitsland van na de Tweede Wereldoorlog met bescheiden middelen het autoracen weer op. Veel geld of materiaal was er niet. Je kwam eigenlijk automatisch bij Volkswagen uit. Het kind van Ferdinand Porsche was in de jaren dertig geboren, had tijdens de oorlog zijn diensten bewezen en begon erna aan een bliksemcarrière. Volkswagen en Porsche - de man en het merk - krijgen veel aandacht, ook al zie je dat pas bij een tweede blik. Onder de gladde koetswerken van sport- en racewagens is Kever-techniek verborgen.
 

Meer de sfeer van een galerie dan van een museum.

Een kleine racewagen die Polensky bouwde in 1950. 

In de werkplaats achter glas een opgeknapte Porsche.

Berlin-Rom-Wagen
Heel groot is het museum niet, maar wat er staat is bijzonder. Direct bij binnenkomst staan we oog in oog met de glimmend zwarte, gestroomlijnde Berlin-Rom-wagen. De 4,15 meter lange auto met zijn gestroomlijnde, aluminium carrosserie is destijds ontworpen voor de race van Berlijn naar Rome in 1939. De race heeft nooit plaatsgevonden. De oorlog kwam er tussen. Het uiterlijk houdt het midden tussen de Kever en latere Porsches. Vanwege de vorm van het dak zit de berijder dicht tegen het midden en heeft de bijrijder een noodzitje dat naar achteren is geplaatst. Voor een maximale stroomlijn zijn alle vier wielkasten afgedekt. De voorste platen kunnen met de wielen meedraaien. Door het beperkte gewicht en de vorm schijnt een top van 190 km/u mogelijk te zijn. Van het ontwerp zijn drie auto’s gebouwd. Eén ervan is in de oorlog bij een bombardement vernietigd, één na de oorlog grotendeels verwoest en één is  overgebleven. Die is in 1949 door Mathé gekocht en gebruikt bij verschillende races. In 1950 werd hij er winnaar in de Alpencup mee. Na zijn dood werd de wagen - zilvergrijs van kleur - verkocht. Hij bezat echter ook nog de gehavende overblijfselen van het tweede exemplaar dat de oorlog had overleefd. Onderdelen die te pas kwamen, gebruikte Mathé voor zijn eigen racewagen. De rest bewaarde hij. Die restanten maakten onderdeel uit van zijn erfenis, die in het bezit kwam van de oprichters van het museum. Ze gebruikten onder meer het chassis, de assen, de motorruimte en de stuurinrichting om de oorspronkelijke auto te reconstrueren. Een gespecialiseerd bedrijf in de buurt van Keulen maakte op basis van de beschikbare gegevens een nieuwe carrosserie. In overeenstemming met het origineel werd deze auto zwart gelakt.

 

De Berlin-Rom-wagen, opgebouwd uit originele onderdelen, maar voorzien van een nieuw koetswerk.

Een archieffoto van het origineel en de overgebleven auto die aanvankelijk van Mathé was.

Mathé bouwde in 1952 zijn eigen racewagen, Fetzenflieger, met Porsche-techniek en onderdelen van de Berlin-Rom-Wagen.

De Volkswagenbus uit 1966 van racer Otto Mathé die geld maakte met zijn Universal olie-additief.

Müller
Voordat Mathé zich bezighield met snelle auto's, had hij triomfen behaald op de fiets en de motorfiets. In 1934 kreeg hij een ernstig ongeluk. Zijn rechterarm werd verlamd. De racerij bleef echter aan hem trekken. Hij bouwde zelfs een eigen racewagen, de Fetzenflieger. Ook die staat hier in het museum. Zijn brood verdiende hij met de verkoop van een door hem ontwikkeld additief voor motorolie, Mathé Universal. Als eerbetoon is zijn oude Volkswagenbus tot museumstuk gepromoveerd.
De andere museumheld is racer Petermax Müller. Uit overgebleven resten van auto’s in de gebombardeerde Volkwagenfabriek schiep hij tussen 1946 en ’49 zes racewagens. Hij werd daarmee Duits kampioen. De wagens lijken op de Wanderers die hij voor de oorlog reed in de race Luik-Rome-Luik. Het museum bezit Müllers eigen racewagen van 1949, één van de twee overgebleven auto’s. Hij vestigde er het wereldsnel-heidsrecord van 215 km/u mee. Dat deed hij met een Volkswagenmotor van slechts 1100 cc, maar opgevoerd tot 78 pk. De lichtmetalen carrosserie weegt slechts 550 kilo. Erg lang hield het record niet stand. Twee jaar later noteert een NSU-snelheidsrecordwagen een top van 261 km/u. De motor is nog kleiner, 500cc. De vormgeving en het ultralichte gewicht van 290 kilo zijn de succesfactoren. Ook deze NSU is hier aanwezig.
 

Müllers racewagen uit 1949, top 215 km/u.

Het record werd al snel gebroken door NSU.

Een racewagen van Delfosse Versuchsbau Düsseldorf uit 1947. 600cc, 30pk, 350 kilo, 165 km/u.
 

Denzel
Weer een andere naam is die van Wolfgang Denzel (1908-1990), een Weense coureur, technicus en ondernemer. Hij daagde in de beginjaren Porsche uit met een eigen sportwagenserie, ook op basis van Volkswagen-techniek. Dat WD een onbekend merk is gebleven, is niet verwonderlijk. Het bedrijfje produceerde in een jaar of acht slechts zo’n 300 auto’s. Het waren allemaal roadsters. In 1959 viel het doek. Op één na gaat het om tweepersoons sportwagens. Die ene uitzondering staat hier. Het is bepaald geen gezinswagen. De binnenruimte is krap; de drempels zijn heel breed uitgevallen. De sobere stoeltjes zullen de prijs voor comfortabele zitmeubels zeker niet in de wacht slepen. Denzel hoefde gelukkig niet alleen van zijn sportwagentjes te leven en was niet uitsluitend op Volkswagen en Porsche gericht. Hij was importeur van BMW in Oostenrijk en speelde zelfs een vooraanstaande rol bij de ontwikkeling van de BMW 700. (Die net als de Kever een luchtgekoelde motor achterin had. Toeval?)
De Kever inspireerde de firma Dannenhauer en Stauss tot de bouw van fraai gelijnde cabriolets op basis van diens onderstel. Tussen 1950 en 1957 zijn er zo’n honderd gemaakt. Mannen die overduidelijk hun ambacht verstonden, klopten de gladde carrosseriedelen met de hand. Alleen de deuren ontstonden onder de pers.
Anders dan bij deze sportwagens is in de vierdeurs politiewagen van Papler uit Keulen veel duidelijker de Kever als basis te ontdekken. Voor zover bekend zijn er van een kleine serie maar twee bewaard gebleven. Het kan nog exclusiever: de Porsche Spyder van Rometsch uit 1954. Het is de enige ter wereld.
 

De enige vierzits Denzel die ooit is gebouwd. 

Brede drempels, iele stoeltjes: bepaald geen familiewagen.

De auto is opmerkelijk lang. Denzel wilde Porsche beconcurreren.

Een van de 300 auto's die in 8 jaar werden gebouwd.

Op basis van Kever-techniek: de Dannenhauer & Stauss.

Zo'n honderd van dergelijke chique cabriolets zijn gemaakt.

Een Kever uit 1947 en de ervan afgeleide politiewagen van Papler.

De voorruit van de politiewagen is rechthoekiger dan van de standaard Kever.

Een Porsche 356, één van de eerste uit de fabriek van Porsche in Stuttgart.


Borgward
Het is niet alles Porsche of Volkswagen wat de klok slaat. Een coupé die de naam van het museum eer aan doet, is een Borgward Hansa 1500 uit 1965. De fabriek showde ermee op tentoonstellingen en had plannen het model in productie te nemen. Als topsnelheid werd 180 km/u aangegeven. Het is nooit verdere gekomen dan drie prototypen.
Behalve auto’s toont het museum allerlei gerelateerde objecten, mooi tentoongesteld in vitrines of in lijstjes aan de muur. De blikken Porsches staan er net zo bij als drie jaar terug. Het speelgoed werd gemaakt tussen 1955 en 1962. De autootjes rijden op een batterij en zijn op afstand te besturen. De prijs was destijds DM 14,75. De waarde op veilingen nu 3.000 euro. Wie wat bewaart, heeft wat. Interessant zijn ook de originele aquarellen voor brochures van Auto Union. Het gaat meer om de indruk dan om de details. Bij tekeningen van drie varianten voor een nieuwe DKW is het juist andersom. Bij een ervan zijn de vier ringen van het beeldmerk op mammoetgrootte in de grille verwerkt. Geen van het trio heeft het tot eindproduct gebracht. Je hoeft er niet om te rouwen.
 

Borgward Coupé, nooit verder gekomen dan het stadium van prototype.

Veel aandacht voor Porsche-modellen.

Een Porsche Spyder van Rometsch. Slechts één is ervan gemaakt.

In een vitrine liggen originele brochures en andere voorwerpen die de Volkswagen-historie vertellen.

Aquarellen bedoeld voor publiciteitsmateriaal van DKW.

Originele tekeningen voor een nieuwe DKW.

Op de voorgrond een origineel Volkswagen-onderstel.

Kelder
Na koffie met taart, naar eigen zeggen door de medewerker met liefde bezorgd, dalen we af naar de kelder. Daar is nog een tentoonstellingsruimte, geregeld gebruikt voor een tijdelijke expositie. Als die er niet is, zoals nu, moeten bezoekers het doen met auto’s uit de museumcollectie. Dat is geen straf, want opnieuw zien we onbekende modellen. Helemaal in het hoekje links achter staat een klein vrachtwagentje uit 1937, een Tempo E600, ooit figurant in de film Schindler’s List. Met 19 pk kwam het wagentje tot maximaal 70 km/u. In het stadsverkeer van toen meer dan genoeg. De fabrikant van de Tempo was vooral bekend vanwege de driewielers, ook na de oorlog. Ze stonden in de tijd van de wederopbouw menige kleine ondernemer ten dienste. De bedenker daarvan, Otto Daus, ontwierp in 1951 een vierwieler. Voor zijn pick-upje gebruikte hij een tweetaktmotor van Heinkel. De 20 pk uit 452 cc maakte een top van bijna 90 mogelijk. Voor het chassis bedacht hij een simpele oplossing, namelijk aan elkaar gelaste buizen. Het bleef bij één auto. Tot seriefabricage is het niet gekomen. De middenstand had de onverslaanbare Volkswagenbus ontdekt. Prototyp heeft zo’n icoon als rijdende reclamezuil in de collectie.
Aan de rechterkant van de zaal staan twee vroege Porsches 911. Leuk, maar niet heel bijzonder. Behalve misschien dat de groene kort geleden is ontdekt na een winterslaap van bijna vijftien jaar in een of andere stalling. Binnenkort gaan de restaurateurs ermee aan de slag.
 

De tweede tentoonstellingszaal voor tijdelijke exposities. 

Een vooroorlogse vierwielige vrachtwagen van Tempo. 

Prototype voor een naoorlogse opvolger.

Otto Daus, ontwerper van de Tempo-driewieler, schiep deze eenmalige creatie.

Een Spatz met kunststof koetswerk.

De Volkswagenbus werd hét vervoermiddel van de Duitse middenstander.

Twee vroege Porsche 911-modellen. De rechter is onlangs gevonden en wordt gerestaureerd.

Trips
Restauratie is niet aan de orde bij het wrak van een zilvergrijze racewagen. De wagen is het prototype van wat een kleine serie moest worden, bedoeld voor jonge coureurs. Opdrachtgever was Wolfgang Graf Berghe von Trips, zelf een enthousiast autoracer. Hij vroeg de Italiaanse technicus Colotti een junior-racewagen te maken met gebruikmaking van Auto Union-techniek. Hun beider voornamen en de eerste letter van de leverancier van de motoren leverde de ‘merknaam’ TCA op. In april 1961 gebruikte de coureur Erich Bode het prototype, waarbij hij dodelijk verongelukte. Het wrak werd bewaard, maar nooit hersteld. Het proefmodel leidde tot een tweede model, de TCA 002, gereedgekomen voor de fatale race van Bode. Met de opgevoerde motor (981 cc, 90 pk) werd een topsnelheid van 220 km/u gehaald.
De twee racewagens staan er niet toevallig. In een ander deel van de kelder is namelijk een expositie ingericht rond leven, roem en vroegtijdige dood van Trips. Bij de gevierde coureur sloeg op 10 september 1961 het noodloot toe. Tijdens de Grote Prijs van Italië op het circuit van Monza botste zijn Ferrari op de Lotus van Jim Clark. De auto werd gelanceerd. De 33-jarige coureur liet het leven, net als vijftien toeschouwers. Krantenpagina’s van destijds berichtten over de ramp.
Het sombere verhaal blijft naklinken als we met een laatste blik op een deeltentoonstelling over luchtweerstand de catacomben van Prototyp verlaten. De racerij als onderdeel van de autohistorie kent vele zwarte bladzijden. De werkelijkheid is grauwer dan zo’n mooi wit museum laat zien. Wat overigens niets afdoet aan de kwaliteit van de inrichting en het tentoongestelde.
We gaan naar buiten, terug naar de wereld van nu. Het is droog geworden. We zijn boeiende ervaringen rijker. De Hamburgse Hafencity is een aanrader.

 

Prototype en tweede model van de TCA.

Een tentoonstelling gewijd aan het (korte) leven van Wolfgang Graf Berghe von Trips.

Een dodelijk ongeluk maakte voortijdig een einde aan het leven van de coureur. 

Tentoonstelling over de ontwikkeling van stroomlijnmodellen.

De Hanomag Sturm had een gunstige luchtweerstandscoëfficiënt.

Ook in de kelder zijn oud en nieuw sfeervol gecombineerd.