Fahrzeugmuseum

Frankenberg/Sachsen (D) 


●  Geschiedenis Framo en Barkas 
●  Kleine historische collectie  
●  Drie- en vierwielers
●  Prototype Barkas-opvolger  
●  Allerlaatste Barkas uit 1991  

 
mei 2019
 

  


Ga niet af op de eerste indruk  
 

Wie zich wil verdiepen in de geschiedenis van de Duitse automerken Framo en Barkas, is in het kleine voertuigmuseum in Frankenberg aan het goede adres. Er staan minder dan twintig auto’s, als je ze al zo wilt noemen. Maar het zijn wel modellen die je in andere musea niet snel of helemaal niet tegenkomt. Zoek er niet naar luxe of naar een mooie expositie. Die vind je niet. Aan liefde voor de historie en betrokkenheid echter geen gebrek. Verslag van een bezoek aan een sympathiek initiatief.
 


Onze kennismaking met het Fahrzeugmuseum in Frankenberg begint met een misverstand. Er is een gezamenlijke website die ook het plaatselijk museum Rittergut aanprijst. Beide stadsmusea horen bij elkaar. Ze hebben bijvoorbeeld identieke, nogal merkwaardige openingstijden. Op vrijdag, zaterdag en zondag gaan alleen 's middags de deuren open, op woensdag en donderdag ook in de ochtend, maar is er wel een half uur middagpauze. De website heeft ons in verwarring gebracht. We dachten dat het om één locatie ging. Dus staan we rond kwart over elf voor de poort van een groot huis waar de navigatie ons naar toe heeft geleid. Aan de muur hangt een bord van Rittergut. Het gebouw ziet er echter heel anders uit dan op de website. Dat is merkwaardig. We gaan toch maar door de poort naar binnen. Het voelt alsof we het privéterrein van iemand binnendringen. Een man staat in een openstaande deur. We informeren naar het museum. “Dat is hier”, antwoordt hij. Het adres klopt dus, maar waar zijn de auto’s? Vriendelijk maar nauwelijks verstaanbaar legt hij omstandig uit dat we elders moeten zijn en wijst de weg. De twee gemeentelijke musea hebben verschillende locaties. Hij loopt naar binnen en geeft ons een foldertje van het Fahrzeugmuseum mee. Daar staat gelukkig een adres op, want op basis van zijn beschrijvingen zou zelfs een doorgewinterde padvinder de weg kwijt zijn geraakt.
 


Fahrzeug-Museum
Het automuseum staat een kleine twee kilometer verderop. Onze reizen door de autowereld hebben ons al op verschillende merkwaardige plaatsen gebracht, zoals bij een begrafenisondernemer in Schotland, een oude-spullen-handelaar met een schuur propvol Morgans in Engeland en een afgelegen museum op de top van een Portugese berg. Deze bestemming past wel in dat rijtje. We komen bij een oud, wit geschilderd gebouw. Het lijkt op een fabriek, maar schijnt een sporthal te zijn. Op de gevel staat met gehavende letters Fahrzeug-Museum. Op zich is dat al opvallend, omdat woorden juist in het Duits aan elkaar worden geschreven. Uitnodigend ziet het er niet uit. De bezoekersparkeerplaats voor de deur is helemaal leeg. Het is koud en het miezert. Dat helpt ook al niet voor een positieve eerste indruk. Wat zullen we binnen aantreffen? De verwachtingen zijn niet hooggestemd. Dat het om een kleine collectie gaat, weten we. Maar is die een tussenstop op onze rit van Dresden naar Zwickau waard?
De ontvangst is in elk geval vriendelijk. Het is ook wat: twee bezoekers. Op een woensdagochtend. Uit het buitenland. We krijgen het gevoel alsof dat maar zelden voorkomt. Willen we alleen kijken of ook foto’s maken? Dan komt er namelijk een euro op de toegangsprijs bij. We betalen twee keer twee euro toegang plus de fototoeslag.
 


Rasmussen
Onze gastvrouw voelt zich verplicht haar gasten uitgebreid tekst en uitleg te geven voordat we verder mogen. Ze stelt ons gerust: van de sluiting tussen de middag hoeven we ons niets aan te trekken. Ze vertelt over Jørgen Skafte Rasmussen (1878-1964), de in Saksen werkzame Deense industrieel achter het merk DKW. Zijn motorfietsenfabriek wordt voor de oorlog de grootste ter wereld. In 1923 richt hij hier in Frankenberg een metaalbedrijf op als toeleverancier voor zijn DKW-fabriek in Zschopau. Het idee ontstaat om de voorkant van een motorfiets te combineren met een laadbak aan de achterkant. Vanaf 1927 gaat de fabriek in Frankenberg ze in serie maken en gebruikt de merknaam Framo. Het eerste model staat naast ons. Het is nog een DKW. Het is de wagen van de groenteman, met een laadbak voorzien van houten rolluiken. De typenaam is TV300, waarbij de TV staat voor Transport-Vehikel en 300 op de cilinderinhoud wijst. Het gaat om een luchtgekoelde ééncilinder tweetakt motor met een vermogen van 7 pk. De topsnelheid is 40 km/u. Er zijn drie versnellingen vooruit en geen achteruit. Naar achteren rijden is met de hand duwen. Door de drie wielen mag je er met een motorfietsrijbewijs mee rijden, hoef je geen wegenbelasting te betalen en is een overdekte parkeerplaats niet nodig. Advertenties leggen de nadruk op die drie voordelen. Concurrenten van de Framo zijn Goliath en Tempo.
 

De combinatie van motorfiets en laadbak leidde tot een nieuw soort vervoermiddel. 

De laadruimte kan worden afgesloten met een houten rolluik.

DKW
De uitleg is nog lang niet klaar. We moeten nog even geduld hebben om zelf rond te kijken. De afkorting DKW heeft drie betekenissen, wordt ons uit de doeken gedaan. De eerste is Dampf Kraft Wagen, ontstaan na het idee van Rasmussen om een stoomauto te ontwikkelen. Dat was in 1916. Het plan mislukte. Succesvoller was zijn initiatief van enkele jaren later om kleine gemotoriseerde speelauto's te gaan maken. Hij noemde ze Des Knaben Wunsch, de droom van iedere jongen. Een derde betekenis is Das Kleine Wunder, de aanprijzing van een fiets met hulpmotor zoals Rasmussen die op de markt bracht.
Op een bord aan de muur staat de rest van de historie. DKW koopt in 1928 Audi en gaat samen met Horch en de autodivisie van Wanderer in 1932 op in Auto Union. De fabriek in Frankenberg en de driewielers maken geen deel uit van de fusie. In 1933 verhuist de onderneming naar het nabij gelegen Hainichen. De fabriek in Frankenberg is gevestigd in een oude kazerne en het leger wil het gebouw terug. Rasmussen wordt zelf directeur. Framo gaat zich toeleggen op het maken van lichte bedrijfswagens.
Na de Tweede Wereldoorlog voeren de Russen bewind over de deelstaat Saksen. Ze ontmantelen de fabriek van Framo. Alle machines en gereedschappen gaan als tegemoetkoming voor de geleden oorlogsschade naar de Sovjet-Unie. Vanaf 1946 produceert het metaalbedrijf potten en pannen. In de jaren erna starten reparatieactiviteiten aan gebruikte auto’s. In 1949 slagen de Duitsers erin de autobouw weer op gang te brengen. Het vooroorlogse model komt terug, nu onder de paraplu van IFA, de overheidsorganisatie die zich toelegt op autoproductie. Saksen maakt inmiddels deel uit van de Deutsche Demokratische Republik.

Driewielers
Na de geschiedenislessen is het tijd voor de bezichtiging. Speciaal voor ons gaat het licht aan. Het museum is niet veel meer dan een gang met nissen. Het lage plafond is niet ideaal voor een uitnodigende presentatie. In elke nis staan twee of drie auto’s. Voorbij de DKW van de groenteboer zien we een opmerkelijk trio driewielers van Framo: twee bedrijfswagens en een variant voor personenvervoer. Heel hard zal het niet gaan als alle zitplaatsen zijn bezet. De motor meet niet meer dan 200 cc. Bij de eerste bestelwagen zien we nog een motorfietsstuur. Dat maakt al gauw plaats voor een echt stuurwiel. De cabine en laadruimte zijn vaak open, maar met zeildoek af te sluiten.
Er is grondig werk gemaakt van de restauratie van de verschillende voertuigen. Ze zien er piekfijn uit. Er is echter nog werk te doen. Een pick-up wacht op voldoende middelen om aangepakt te worden. Op de laadbak staat een kistje voor spontane donaties. Voor alle zekerheid meldt een bordje dat het wagentje niet bruikbaar is. Laat dat ons nou niet verbazen.
 

In de volgende nis staan drie driewielers. De modellen uit Frankenberg heten Framo. 

De eerste modellen zijn heel eenvoudig: geen voorruit, geen cabine.

De driewielers waren ook verkrijgbaar in personenuitvoering.

Een familiewagen, al moet je er niet al te veel van voorstellen.

Met de gesloten bestuurderscabine wordt het vervoermiddel volwaardiger.

Er zijn nog geen zijruiten. Een zeildoek sluit cabine en laadbak af.

Je kunt er niet de weg mee op. Dat verbaast ons nou helemaal niets.

Wie wil bijdragen aan de restauratie wordt daartoe uitgenodigd. Giften worden in dank aanvaard.

Personenwagens
In de jaren dertig gaat Framo zich ook richten op andere personenwagens dan halve motorfietsen. De Stromer is een driewieler voor twee personen, met twee wielen vóór en één achter. Voor de aandrijving zorgt ook hier een ééncilinder DKW-motor van 200 cc. De zeven paardenkrachten maken een top van 60 mogelijk. De Piccolo heeft vier wielen. Alleen het linkerachterwiel wordt aangedreven. Het wagentje is geschikt voor twee volwassenen en twee kinderen. Ruim is het allemaal niet. Bovendien is er maar een enkele deur om naar binnen te gaan, aan de rechterkant. Links hangt aan de buitenkant het reservewiel aan de carrosserie. Inmiddels perst de 300 cc’er ééncilinder er 9 pk uit.
Een massafabrikant is Framo nooit geworden. Verschillende bronnen zijn het niet eens over de verkochte aantallen, variërend van 1000 tot 1400 in totaal, dus Stromer én Piccolo. Wie een heel gezin wil meenemen, komt toch uit bij de traditioneler driewieler met één wiel voor. Bij het model uit 1935 ligt de motor niet meer open en bloot in het zicht, maar is keurig weggewerkt achter een dichte neus. De motorkap is van metaal, de rest van de carrosserie van hout, met leerdoek overtrokken.
 

Gaandeweg werd het steeds minder een motorfiets. De voorkant was van metaal, de rest van hout. 

De Stromer zag er aan de voorkant uit als een echte auto.

De wagen heeft twee wielen vóór en één aan de achterkant.

Een vierwieler van Framo: de Piccolo. Alleen het linkerachterwiel wordt aangedreven.

Het wagentje heeft één deur: alleen aan de rechterkant. 

Metaal
We zijn aan het eind van de gang gekomen. De driewielers zien er steeds volwaardiger uit. Het hout maakt plaats voor metaal. Naast deze verbeteringen komt er een kleine vrachtwagen bij. Deze auto uit 1937 is vergeleken met de eerdere modellen een reus. Het toegestane laadgewicht is een ton. In dit geval ligt er geen DKW-motor in, maar een viercilinder watergekoelde motor van Ford. Inhoud 1200 cc, vermogen 34 pk.
In 1938 presenteert Framo de V500. Die past binnen het Plan Schell van de nazi’s dat aangeeft welke bedrijf welk type auto gaat produceren. De fabricage van driewielers is voortaan een zaak van Tempo en Goliath. Voor Framo is ruimte voor één model. Dat blijft – in licht gewijzigde vorm als V501 – tot 1943 in productie. Dan legt het bedrijf zich toe op ander oorlogsmateriaal.
 

In 1938 is de carrosserie van metaal.

Door de verandering ziet de pick-up er veel moderner uit.

De driewieler werd in vele varianten aangeboden. 

Voor deze vrachtwagen koopt Framo de motoren in bij Ford. 

Framo V500K type Danzig als postwagen (1938), 2 cilinders, 500 cc, 4 versnellingen vooruit en 1 achteruit.

Door het Plan Schell gaat Framo nog maar één model maken: de V500/501.

Dit exemplaar is uitgerust met een handig accessoire: een verwarmbare voorruit.

In de eerste oorlogsjaren, tot 1943, blijft Framo deze lichte vrachtwagen produceren.

Aan de muur hangt een foto van de fabriek in die tijd.

Barkas
We zagen al dat vanaf 1949 de autoproductie wordt hervat. In 1950 verlaten zo’n 700 V501’s de fabriek. Er wordt gewerkt aan een vernieuwd ontwerp, de V901. Uiterlijk is er grote gelijkenis met de V501. Pas na een facelift, waarbij de cabine breder wordt en de koplampen zijn opgenomen in de spatborden, krijgt het type een eigen gezicht. Het museum toont van deze V901/2 een pick-up en gesloten bestelwagen, de servicewagen van de fabriek. Nog altijd is sprake van een tweetakt, maar nu als driecilinder. Vanaf 1952 vindt het persen van de carrosseriedelen plaats in Frankenberg. De montage blijft in Hainichen.
Vanaf 1958 is de naam niet langer Framo. Het wordt Barkas, verwijzend naar een veldheer uit Carthago. Barkas betekent ook ‘de bliksem’. Een tikkeltje overdreven wellicht… De naamsverandering zorgt overigens vaak tot verwarring. Veel V901’s worden ten onrechte Framo genoemd. Dit type kom je ook buiten de musea nog wel eens tegen. Eergisteren zagen we er nog eentje bij de voorjaarsbeurs op de Neumarkt in Dresden. Ook in Nederland zijn er nog enkele exemplaren. Een verbouwondernemer in Den Haag gebruikt er een als rijdende reclamezuil.
 

De V901/2 heeft koplampen in de spatborden en krijgt later een nieuwe naam: Barkas.

De V901/2 als bestelwagen van de klantenservice van het bedrijf. 

Aan de zijkant alleen rechts een deur naar de laadruimte. Rechts: de gestileerde b als beeldmerk van Barkas op de neus..

Uitgebreide documentatie over alle uitvoeringen en specificaties van de V901.

Een Barkas V901/2 als blikvanger bij een voorjaarsmarkt op de Neumarkt in Dresden.

De promotieauto van Verbouwbedrijf A1 Maatwerk in Den Haag is een Barkas, ondanks de aanduiding achterop.

Een Barkas bij de Zoetermeerse oldtimerdag in mei 2015.

B1000
Medio jaren vijftig, lezen we in de informatie aan de muur, denken de makers aan een moderne opvolger voor de V901/2. Die komt er in 1961, de B1000. Wat de Volkswagenbus voor de West-Duitsers is, is de Barkas dat voor hun buren aan de andere kant van de Muur. De auto heeft de motor van de Wartburg die de voorwielen aandrijft. De wagen wordt ook geëxporteerd, onder meer naar Nederland. Het Haagse autobedrijf De Binckhorst is de importeur. We zien hier in het museum een brandweerwagen en de laatste versie met een tweetaktmotor. De Oost-Duitsers ontkomen niet aan de omschakeling naar viertakt, maar hebben niet de middelen die zelf te ontwikkelen. In de jaren tachtig zijn er contacten met Volkswagen. Dat bedrijf gaat motoren leveren voor de Trabant, Wartburg en Barkas. Na de val van de Muur blijkt al snel dat de modellen uit de DDR hopeloos verouderd zijn. Zelfs de Oost-Duitsers kopen liever een tweedehands model uit ‘het Westen’. Plannen om via een facelift het uiterlijk te moderniseren, komen te laat. Op 10 april 1991 om zeven over half tien in de ochtend valt het doek. Barkas is geschiedenis. De allerlaatste bestelwagen staat hier in Frankenberg. Ongebruikt, gemaakt voor het museum. Technisch en uiterlijk is er nauwelijks verschil met het model van 1961. De bestelwagen illustreert de mislukking van de planeconomie.
 

Barkas B1000 als brandweer (links) en het laatste type met tweetaktmotor (rechts).

Aan de wanden hangen foto's van de fabriek van destijds.

De Barkas was conventioneel gebouwd en had nog een afzonderlijk chassis.

Uit eigen archief: een Nederlandse folder van de Barkas waarin alle versies worden getoond.

Een latere versie is realistischer en laat alleen de bestelwagen zien. De andere typen werden bij ons niet verkocht.

Een foto uit een jubileumuitgave uit 1983 van Auto-Palace De Binckhorst in Den Haag. Rechts een Barkas.

De Belgische importeur (invoerder) koos voor de merknaam Wartburg in plaats van Barkas.

De allerlaatste Barkas: zo van de fabriek naar het museum.

Na dertig jaar valt definitief het doek.

Prototypen
Aan de mensen van de fabriek heeft het niet gelegen. De medewerkers hadden eind jaren zestig al gezien dat de B1000 aan vernieuwing toe was. Ze ontwikkelden een opvolger en maakten drie complete prototypen. Op 15 mei 1969 was het eerste prototype af. Het derde was een pick-up met dubbele cabine, voorzien van een Russische Moskvitch-motor. De politiek gaf echter geen groen licht voor het project. Er was niet genoeg geld voor machines om de auto ook echt te gaan maken. In 1972 volgde de opdracht de prototypen te vernietigen en de technische tekeningen terug te sturen naar het ministerie. De bevolking mocht niet weten dat er initiatieven waren genomen om de oude Barkas te vervangen. De chef van de ontwikkeling, Walter Richter, gehoorzaamde niet. Het derde prototype werd verstopt in schuren van bevriende boeren in de buurt. Ze namen daarmee een behoorlijk risico. Na de Duitse hereniging kwam het project alsnog in de openbaarheid. De verstopte opvolger staat nu hier in het museum. Zo had de toekomst die nooit kwam eruit kunnen zien.
 

Jarenlang verstopt geweest: het prototype voor een opvolger van de B1000.

Schaalmodellen van een bus en een pick-up.

De ribbels in de deuren dienen ter versteviging van het plaatwerk.

Aan de wand nadere informatie en in een vitrine nog een ander ontwerp voor een nieuwe Barkas. 

Naast een geheel nieuw model waren er voorstellen het uiterlijk te moderniseren.

Inzichten
Wie in dit kleine museum alleen naar de auto’s kijkt, is gauw klaar en doet zichzelf tekort. Er is zoveel meer te zien, met liefde en gevoel voor detail bij elkaar gebracht. Overal aan de wanden hangt informatie: kopieën van folders, krantenberichten, technische tekeningen en foto’s. Veel foto’s bieden ons nieuwe inzichten. We wisten niet dat de fabriek van de partijtop opdracht kreeg om terreinwagens te maken en zelfs een amfibievoertuig te ontwikkelen.
Voor de export werd promotiemateriaal gemaakt dat in eigen land overbodig was. Op tafels liggen verschillende onderdelen, met uitleg over de bijzonderheden. In vitrines staan modelletjes van Barkas en allerlei andere voorwerpen met enige relatie tot het merk. Met beperkte middelen is het maximaal haalbare gerealiseerd. Helaas, zo horen we, is bij het faillissement van Barkas toch veel documentatie verloren gegaan. Er was geen oog voor. Gelukkig zijn er nog mensen die het erfgoed wel op waarde weten te schatten. Het is maar goed dat we naar binnen zijn gedaan. Ga niet af op een eerste indruk, is de les van deze woensdagochtend.
 

Originele houten mal (links) voor de matrijzen voor het persen van de motorkap (rechts).

In vitrines staan verschillende schaalmodellen.

Kleine Barkasjes als promotiemateriaal. 

Overal staan tafels met onderdelen en uitleg daarbij. 

De Barkas-fabriek kreeg van de regering opdracht deze terreinwagen te maken. 

Ga niet af op het uiterlijk en oordeel pas na een bezoek. 

 

   Aanvulling

In het August Horch Museum in Zwickau staat een Framo Stromer met gesloten koetswerk en in het Verkehrsmuseum in Dresden een Framo Piccolo. In dit geval heeft het wagentje twee deuren, anders dan het model in Frankenberg.

De fraai gerestaureerde Stromer in Zwickau.  

De Piccolo met deuren aan beide kanten in Dresden.