Centro Storico Fiat

Turijn (I)


 
●  Fiat-museum en -archief
● 
Gevestigd op historische grond
●  Korte historie van het merk
●  Raadsels rond overgebleven eerste Fiats
●  Ook fietsen, vliegtuigmotoren en witgoed

 
oktober 2012

 

  


Geschiedschrijving op historische grond

Het Centro Storico Fiat in Turijn beheert het historisch erfgoed van de meer dan honderdjarige onderneming die al decennia lang van grote betekenis is voor de Italiaanse economie en samenleving. In twee uur lopen we met zevenmijlslaarzen door die geschiedenis, af en toe even stilstaand voor een nadere verdieping.

 

Op nummer 20 aan de Via Chiabrera is het Centro Storico Fiat gehuisvest.

Het is een hartelijke begroeting op de stoep van Via Chiabrera 20 in Turijn. Federica Finello is speciaal hier naar toe gekomen om ons op deze doordeweekse dag rond te leiden door het historiecentrum van Fiat. Dat ligt in een weinig aansprekend zijstraatje van één van de bredere wegen in de stad. Je zou een plek met meer prestige hebben verwacht. Toch is het geen minachting voor het verleden. Integendeel. Dit is namelijk historische grond. Het gebouw in art nouveau-stijl dateert van 1907. Het was de eerste uitbreiding van de fabriek aan de overkant van de straat. Die fabriek is er niet meer; het kantoor heeft het overleefd. Hoog op de gevel zijn de letters FIAT in steen gebeiteld. Centro Storico nam in 1963 hier zijn intrek. Dat is ook al weer bijna een halve eeuw geleden.
 

Een bord verwijst naar de oude Fiat-fabriek. Klik op de afbeelding om de tekst te lezen.

Erfgoed
We gaan niet naar binnen door de grote houten deuren van nummer 20, maar door een glazen schuifdeur van de moderne aanbouw ernaast. Hier is het archief gevestigd. Honderdduizenden documenten, foto’s, films en op de historie van Fiat betrekking hebbende andere zaken zijn hier opgeslagen. Massimo Castagnola is aangesteld als hoeder van het erfgoed. Met hem hebben we afgelopen maanden herhaaldelijk via e-mail contact gehad. Het Centro Storico is eigenlijk alleen op zondag voor bezoekers geopend. Om ons als geïnteresseerde buitenlanders een plezier te doen, is een uitzondering gemaakt. Het kostte de nodige moeite, organisatie en geduld, maar het is gelukt. Gesloten deuren gaan op deze vrijdagmorgen speciaal voor ons open.
 

Het centrum is alleen op zondag geopend voor publiek. Rechts het moderne archief, naast het historische gebouw.

Nota
We zijn de enige gasten. Federica’s vriendelijkheid en deskundigheid maakt het privébezoek tot een uniek onderdeel van ons meerdaags verblijf in Turijn. De gids wordt als zzp’er door Fiat ingehuurd voor rondleidingen en andere activiteiten. Dat betekent een zakelijk-administratieve start. Ze verontschuldigt zich, maar eerst moet de nota in orde worden gemaakt. Daarvoor heeft ze ons fiscale nummer nodig. In ruil daarvoor, plus de vergoeding voor haar dienstverlening, krijgen we een officiële rekening met zilverkleurige hologramsticker van het Ministero dell’Economia e delle Finanzie.
 

Het schilderij verbeeldt de oprichtingsbijeenkomst van Fiat. Rechts de eerste fabriek met daarnaast het gebouw uit 1907.

Natuurlijk is er in Turijn een straat naar de grondlegger van Fiat genoemd.

Notabelen
Na het papierwerk start een boeiende rondgang langs vele herkenningspunten van Fiats geschiedenis. Federica wijst op een schilderij aan de wand. We gaan terug in de tijd. In 1899 besluiten de notabelen van de stad dat Italië rijp is voor een eigen auto-industrie. Ze zijn bereid erin te investeren. De naam is even helder als eenvoudig: Italiaanse autofabriek in Turijn: Fabbrica Italiana di Automobili Torino, afgekort tot F.I.A.T. Later verdwijnen de puntjes. (De A dekt feitelijk niet de lading: het bedrijf maakt ook fietsen.)
Giovanni Agnelli is één van de notabelen. Al snel na de start trekt hij de nieuwe onderneming naar zich toe. Hij leidt die tot aan zijn dood in 1945. Door de jaren heen beheerst Fiat niet alleen de economie van Turijn, maar is van cruciale betekenis voor het hele land. De familie Agnelli trekt voor en achter de schermen aan de touwtjes. In de republiek met de vele kabinetswisselingen gelden de Agnelli’s lang als ongekroonde koningen van het land. Niemand maakt zich druk over belangenvermenging. Giovanni heeft ook een politieke positie. In 1923 is hij door Mussolini tot senator benoemd.
 

Twee exemplaren van het eerste model van Fiat, de 4HP, van 1899/1900. 26 werden ervan gebouwd.

Originele affiche uit 1899, de eerste van F.I.A.T. Rechts de beeldmerken door de jaren heen.

Fiat maakte ook fietsen, onder meer voor het leger. Deze waren inklapbaar.

Kroontje
De kiem voor de latere expansie staat direct bij de voordeur: de eerste auto’s uit 1899/1900. In eerste aanleg is Fiat fabrikant van luxe en dure auto’s, alleen betaalbaar voor de sociale klasse waaruit de investeerders voortkomen. De Koninklijke familie van Italië – het Huis Savoye – behoort tot de klantenkring. Federica wijst op het kroontje op de achterdeur van een Tipo 4. Snel komen er militaire voertuigen en treinmotoren bij. Al in 1910 bereikt het merk de status van grootste autofabrikant van het land. Die positie zal het nooit meer kwijtraken, zelfs niet in moeilijke economische tijden. Rond 1920 is het marktaandeel circa tachtig procent. De Eerste Wereldoorlog heeft de onderneming geen windeieren gelegd. “Militaire auto’s zijn prachtige proeftuinen voor nieuwe technieken en duurzaamheid”, legt Federica uit. En een mooie inkomstenbron, denken we erbij.
 

De notabelen, waaronder Agnelli, met oude machines op de voorgrond. Een houten vloer voorkomt gladheid door olie.

Om achterin deze Fiat te komen, moest de voorstoel worden weggedraaid.

Een voertuig voor de toenmalige Koninklijke familie van Italië. Een kroontje op de deur verwijst daarnaar.

Links nogmaals de Koninklijke Fiat Tipo 4, rechts het Tipo 1.

De productie van vrachtwagens was een lucratieve bezigheid. Het leger was een mooie proeftuin.

Revolutie
De familie Agnelli raakt in die tijd even buiten beeld. De communisten hebben het bedrijf overgenomen, aangestoken door het succes van hun kameraden in Rusland na de revolutie van 1917. De revolutionairen blijken echter geen verstand van autofabricage te hebben. Agnelli keert al spoedig op zijn post terug. Naar het voorbeeld van Ford in Amerika wil hij auto’s gaan maken voor de kleinere beurs. Dat moet in grote aantallen aan de lopende band, heeft Ford de wereld geleerd. Fiat bouwt Lingotto, Europa’s grootste autofabriek, beroemd geworden door de testbaan op het dak. De Balilla en later de Topolino worden de troetelkinderen van heel Italië. Het land loopt daarmee de achterstand in autodichtheid vergeleken met het buitenland in.
 

De 501 (rechts) was Fiats eerste auto na de Eerste Wereldoorlog en werd geproduceerd tussen 1919 en 1926.

De Fiat 509 volgde in 1925 de 501 op en bleef vier jaar in productie.

De 508 Balilla volgde op zijn beurt de 509 op en was er ook met een sportief koetswerk.

Toekomstperspectief
Tijdens de Tweede Wereldoorlog schakelt Fiat over op oorlogsproductie met het Italiaanse en Duitse leger als klanten. De vriendschap van Agnelli met Mussolini heeft tot gevolg dat de familie na de oorlog voor de tweede keer de directe zeggenschap over de onderneming kwijtraakt. Dankzij steun vanuit het Marshall Plan is er voor het verwoeste bedrijf weer toekomstperspectief.
In de jaren zestig treden de Agnelli’s weer op de voorgrond. Gianni, kleinzoon van Giovanni, verruilt zijn leven als jetsetter en playboy voor de topfunctie van het bedrijf. (Officieel heet hij ook Giovanni, maar zijn koosnaam Gianni wordt vaak gebruikt om de twee uit elkaar te houden.) Wat niemand verwacht, gebeurt. Hij toont zich een zeer betrokken en verantwoordelijk leider. Met stevige hand houdt hij het roer in handen. Misschien is stuur toepasselijker.
 

Op de achtergrond Gianni Agnelli aan het stuur van een Fiat Dino.

Russen
De positie van het bedrijf is intussen ongekend machtig geworden. De snel wisselende Italiaanse kabinetten lijken slechts een rol op de achtergrond te spelen. Voor Fiat gaat handel boven politiek. In de tijd van de Koude Oorlog sluit Fiat overeenkomsten met verschillende communistische landen. Het meest spraakmakend is het contract met de Russen. De Sovjet-Unie start de massamotorisering met de licentieproductie van de Fiat 124. In Togliatti (genoemd naar een Italiaanse communistenleider) zetten de Russen met steun van Fiat een heel nieuw fabriekscomplex neer. Federica wijst op een ovale houten tafel. Hieraan werd op 4 mei 1966 de overeenkomst ondertekend. Het Centro Storico heeft ‘m als relikwie bewaard. Aan de muur hangt een foto van de bijeenkomst en de tafel. Op de museumvloer staat één van de eerste Zhiguli’s, de Sovjet-124 die voor de export werd omgedoopt tot Lada.

(NB. In dezelfde periode sloot Fiat een overeenkomst met de Poolse fabriek FSO die het model 125 in vereenvoudigde vorm ging produceren. Al veel eerder waren er contacten met Polen. Tussen 1932 en de Tweede Wereldoorlog werden in Polen Fiats in licentie gebouwd. In de jaren zeventig sloten FSO en Fiat een joint venture om de 126 te gaan maken. Na de val van het IJzeren Gordijn werd deze fabriek - FSM - geprivatiseerd en onderdeel van Fiat.)
 

De spraakmakende ondertekening van de contracten met de Russen.

Confrontaties
Niet minder controversieel is de overeenkomst in 1976 met generaal Khadaffi van Libië, in een tijd dat het politieke Westen hem ziet als de kwade genius achter vele terroristische aanslagen. Voor Agnelli gaat het belang van Fiat boven alles.
In het thuisland heeft het bedrijf heftige confrontaties met de vakbonden achter de rug. De tegenstellingen tussen werkgevers en werknemers zijn in de jaren zestig ongekend groot. Daarna wordt Italië geteisterd door de terreuraanslagen van de Rode Brigades. Na de moord op voormalig premier Aldo Moro in 1978 verliest Fiat een jaar later één van zijn topmensen bij een moordaanslag.
 

Het Fiat-logo prijkte ook op huishoudelijke witgoedproducten als koelkasten en wasmachines.

Koelkasten
Het bedrijf is inmiddels een reus geworden. Fiat koopt Autobianchi, Lancia en neemt een belang in Ferrari. Er is expansie in de hele wereld. In Latijns-America verrijzen fabrieken. De onderneming richt zich ook op heel andere sectoren. Tot de Fiat-groep behoren een luchtvaartmaatschappij (Alitalia), een schrijfmachinefabrikant, een dagblad, verffabrieken, constructiebedrijven, een voetbalclub en vele andere bedrijven. Er is een eigen filmbedrijf. Monitoren van het Centro Storico tonen kleine speelfilms als reclame-uitingen. Op licentiebasis worden Amerikaanse Westinghouse wasmachines en koelkasten gemaakt en verkocht. Het economische belang voor het land is ongekend groot. Als Fiat kucht, is Italië verkouden, luidt een populaire uitspraak. In 1986 komt Alfa Romeo onder de hoede van Fiat, in 1993 gevolgd door Maserati. De auto-industrie in Italië is daarmee geconsolideerd.
Maar gaandeweg verdwijnt het succes en de overmacht. De autowereld verandert. Er komen nieuwe mondiale spelers. Beschermende handelsbelemmeringen verdwijnen. Fiats positie wordt zwakker. Er is niet veel reden voor slingers bij het eeuwfeest. Er moet orde op zaken worden gesteld.
 

Beroemde sportieve coupés en spiders bij elkaar: 2300S, 1500, 1100TV en Dino.

Ruzies
Intussen kent de familie Agnelli verschillende tegenslagen. Gianni overlijdt in 2003, zijn broer Umberto een jaar later, beiden aan kanker. Umberto’s zoon is in 1997 al aan kanker overleden en Gianni’s zoon Edoardo pleegt in 2000 zelfmoord. Er zijn onverkwikkelijke ruzies binnen de familie over de aandelen. Op 28-jarige leeftijd wordt Gianni's oudste kleinzoon John Elkann naar voren geschoven als vice-voorzitter van de onderneming. Hij gebruikt zijn invloed om een buitenstaander aan te trekken als CEO: Sergio Marchionne. Het is de vijfde topman in twee jaar tijd. Hij leidt op dat moment een Zwitsers kwaliteitsbeoordelings- en certificeringsbedrijf. Ervaring in de autosector heeft hij niet. Dat blijkt geen bezwaar. Marchionne stelt orde op zaken, saneert, reorganiseert en maakt Fiat weer winstgevend. Overtuigd van het feit dat alleen mondiale spelers kunnen overleven, lijft hij het noodlijdende Chrysler in en maakt dat in korte tijd weer winstgevend. Met zijn eeuwige trui is hij een opmerkelijke verschijning in de wereld van de automagnaten. Door zijn bevlogenheid en overvolle agenda is er voor een gezinsleven geen plaats meer. Federica citeert een veelgehoorde opmerking in Turijn: “Hij is gescheiden van zijn vrouw en nu getrouwd met Fiat”. De scheiding vond plaats in 2010.
 

Marchionne en Elkann bij nieuwe 500 onder een hoes van een oude.

Wereldsnelheidsrecord
Het Centro Storico heeft belangrijke auto’s uit de geschiedenis thematisch neergezet. Een prominente plaats is uitgeruimd voor de Fiat SB4, beter bekend als Mefistofele. De auto is van 1908, maar kreeg in 1924 een nieuwe zescilinder motor van 21,7 liter inhoud. Ernest Eldridge verbrak met een snelheid van 235 km/u het tot dan toe geldende wereldsnelheidsrecord. Geregeld verlaat de wagen Turijn om deel te nemen aan internationale races met klassiekers. Zo reed de wagen in 2011in het Engelse Goodwood. Een sticker achterop herinnert daar aan.
 

Een auto van 1908 met een motor van 1924 was goed voor een wereldsnelheidsrecord.

Ferrari
Bij de sportwagens zien we de beroemde Otto Vu, de achtcilinder uit begin jaren vijftig. Dit is er één van de 34 met een fabriekskoetswerk. Beroemde Italiaanse ontwerphuizen voorzagen de andere 80 van een carrosserie. (Een Michelotti staat in het Haagse Louwman Museum).
Even verderop staat de 1500 Spider waarmee Fiat de oversteek naar Amerika waagde. Onder een meer dan levensgroot portret van Gianni Agnelli aan het stuur staan twee Fiat Dino’s. Federica vertelt dat ze zijn genoemd naar de op 24-jarige leeftijd overleden zoon van Enzo Ferrari. Onder de motorkap zit namelijk een Ferrari-motor. “De racewagenfabrikant moest minimaal tweehonderd motoren bouwen om voor homologatie voor de Formule 2 in aanmerking te komen”. Fiat wilde ze wel afnemen.
 

Helemaal links de Otto Vu, rechts een 1100 S.

Met de 1500 Spider waagde Fiat de oversteek naar Amerika. Rechts op de foto ook nog een 2300S Coupé.

Links de Fiat 1100 TV en rechts de Dino Spider.

De Fiat Dino had een Ferrari-motor onder de kap.

Huwelijksreis
Veel oude modellen zijn minder indrukwekkend, maar voor de beginjaren van Fiat niet minder belangrijk. Onze reisleidster door de tijd wijst graag op details, zoals een wegdraaiende voorstoel om achterin te stappen of een bijzondere radiatormascotte. Ze praat over het werk van topontwerper Dante Giacosa die Fiat meer dan veertig jaar diende. “Toen hij trouwde, kreeg hij van de oude Agnelli een Fiat Balilla als cadeau om zo op huwelijksreis te kunnen gaan”. Giacosa was technicus en ontwerper tegelijkertijd, een bijzondere combinatie. Van zijn hand is onder meer de beroemde Topolino. Federica verklapt dat ze gek is op één van zijn ontwerpen, de 1500 met gestroomlijnde neus. Het is één van de eerste in de windtunnel geteste auto’s. Dit is kunst. Ze aait de auto als een huisdier. Ze raakt ook enthousiast over de bijzondere blauwe kleur van een Fiat 700. Het was de bedoeling deze auto als massaproduct te gaan maken, maar door de oorlog is dat er nooit van gekomen.
 

Oudere modellen van Fiat weken wat vormgeving betreft weinig van het gemiddelde af.

De vierkante vormgeving maakte plaats voor gestroomlijnde modellen.

De 700 kwam niet verder dan het stadium van prototype.

Vliegtuigen
Drie naoorlogse modellen in wording hangen in een nagemaakt stukje fabriek. We herkennen onmiddellijk een Millecento, 1400 en 124, tot lichte verbazing van Federica. Dit zijn écht liefhebbers, hoor je haar denken.
Met de lift gaan we de naar de bovenverdieping. Aan één kant staan tientallen schaalmodellen van vliegtuigen met daarnaast de echte motoren. Fiat was een belangrijke leverancier maar heeft de luchtvaartdivisie in 1964 verzelfstandigd. De andere kant van de ruimte is helemaal gewijd aan affiches door de jaren heen. Aanvankelijk zijn het tekeningen, later verdrongen door foto’s. “Het geheim van een geslaagde reclameposter”, aldus Federica, “is een glimmende auto met een mooi landschap als achtergrond en een Italiaanse dame achter het stuur”.
Een fotowand maakt de bezoeker getuige van bijzondere momenten en ontmoetingen. We zien Henry Ford samen met Giovanni Agnelli en jaren later hun beider kleinzoons Henry Ford II en Gianni Agnelli.
 

Drie modellen in wording hangen in een nagebouwd stukje fabriek.

Lange tijd maakte Fiat ook vliegtuigmotoren.

Tekeningen domineren de beelden van de affiches aanvankelijk....

...maar later worden verdrongen door foto's.

Posters van in Oostenrijk en Polen geproduceerde Fiats.

De ideale promotieplaat: mooie auto, indrukwekkend landschap en een aantrekkelijke vrouw achter het stuur.

Fotogalerijen maken de bezoeker getuige van historische momenten.

Schilderijen
Als laatste onderdeel van de rondleiding staan we stil bij de modellen waarmee Fiat groot en beroemd is geworden, de in massa geproduceerde kleine familiewagen. De Fiat Zero van 1912 is de eerste auto die meer dan tweeduizend keer is gemaakt. Dat was in 1912 heel veel, maar valt in het niet bij de aantallen van de Balilla, Topolino, Nuova 500 en 600, respectievelijk 100.000, 500.000, 3,5 miljoen en 5 miljoen. De 600 was destijds zo populair dat Italiaanse kunstenaars er schilderijen over maakten, zoals Felice Casorati in 1955 deed. Natuurlijk hangen ze hier aan de muur.
Door het hele gebouw heen staan in lange vitrines meer dan honderd modellen van oude Fiats, met de hand vervaardigd in schaal
1 op 5 (vrachtwagens 1 op 10). Ze zijn tot in de kleinste details nagemaakt. Zelfs de bekleding, matten en het profiel van de banden zijn natuurgetrouw. Menig model heeft meer gekost dan je destijds voor het origineel moest neertellen. Het idee voor deze collectie is afkomstig van de eerste curator van het centrum, Augusto Constantino. Voor een deel maakte hij de modellen zelf. Dan hebben we het wel over decennia terug.
 

Overal in het centrum staan schaalmodellen 1:5. Ze verbeelden de gehele geschiedenis.

De Fiat Zero was de eerste auto waarvan er meer dan 2000 werden gemaakt.

Populaire Fiats door de jaren heen bij elkaar gezet.

Succesvolle, in grote aantallen gemaakte kleine familiewagens, de Balilla en Topolino.

Links de 500, rechts de 600.

De houten mal voor de panelen van de laatste versie van de Fiat 500.

Prominente Italiaanse schilders maakten van de 600 een kunstwerk. Links het werk van Felice Casorati van 1955.

Van de jaren vijftig zijn we terug in 2012. Om ruim over half twaalf nemen we afscheid. Eigenlijk is twee uur te weinig om alles goed in je op te nemen. Mocht Turijn nog ooit het reisdoel zijn, dan valt het bezoek zeker op een zondag. Dan kunnen we gewoon door de voordeur naar binnen. Federica zullen we dan helaas moet missen.

 

   Achtergrond

  

Links de 4HP in Engeland (foto: wikipedia - Paul Hermans), rechts die in het Museo Nazionale.

Raadsels rond eerste Fiats

Hoeveel stuks zijn er gemaakt van Fiats eerste model, hoeveel zijn er nog van over en waar staan ze dan? Eenvoudige vragen blijken niet altijd zo gemakkelijk te beantwoorden. Zelfs Fiats historische afdeling brengt geen volledige duidelijkheid. 

Bij de ingang van zijn Centro Storico presenteert Fiat twee van zijn eerste modellen, de 4HP (soms ook wel aangeduid als de 3 ½ HP). De ene auto is rood, de andere geel met donkerblauw. Ze maken deel uit van de eerste serie die heeft bestaan uit 26 auto’s, een reeks van acht met daarna nog eentje van achttien. Deze informatie klinkt feitelijk, maar wie zich verdiept in die eerste modellen wordt al snel aan het twijfelen gebracht. De catalogus van het Museo Nazionale dell’Automobile – een gezaghebbend instituut als het gaat om de Italiaanse autogeschiedenis – stelt dat er twee 4HP’s zijn overgebleven: één in het eigen museum en één in het Centro Storico Fiat. In deze redenering is geen plaats voor de rode auto.

Twee, drie of vier?
Wie Wikipedia raadpleegt, leest afhankelijk van de taalversie dat er van die eerste serie twee dan wel vier stuks zijn overgebleven. De auteurs van de versies met twee stuks volgen de catalogus. Degenen die stellen dat er nog vier zijn, geven aan dat ook het Henry Ford Museum in het Amerikaanse Dearborn en het National Motor Museum in Beaulieu (Engeland) een exemplaar bezitten. Boeken over de Fiat-historie geven verschillende aantallen: twee, drie of vier overgebleven auto’s. Waar ze staan, verschilt van uitgave tot uitgave. Er is geen eenduidigheid.
Naast de mist over het aantal is er nog een raadsel. Het model in het museum in Turijn heeft een merkplaatje met daarop een productienummer: 111. Hoe is zo’n hoog nummer te verklaren als de eerste serie heeft bestaan uit slechts 26 auto’s?

Vijf of zes?
Desgevraagd verklaart Massimo Castagnola van het Centro Storico Fiat dat zowel de rode als de geel/donkerblauwe auto van het type 4HP zijn. Hij bevestigt de aanwezigheid van drie andere modellen in de al genoemde musea in Turijn, Dearborn en Beaulieu. Geen twee, drie of vier resterende eerste Fiats dus, maar vijf!
Het raadsel wordt nog groter bij het bekijken van een oude foto van het Centro Storico. Daarop staat een 4HP die er heel anders uitziet dan de twee die we met eigen ogen zagen. Een foto van dit model circuleert ook op internet (zie hieronder). Zijn het er dan zes?
Wie het weet, mag het zeggen.
Wat het nummer betreft, vermoedt Castagnola dat de telling niet bij 001 is begonnen, maar bijvoorbeeld bij 100. Dan zou de auto in het Museo Nazionale de elfde zijn. Volledige zekerheid is er op dit punt niet. Wel geeft de bewaard gebleven fabrieksdocumentatie aan dat er 26 stuks van die eerste serie zijn gemaakt. Dat is tenminste duidelijk.
 

Links de versie op oude foto's van het Centro Storico (zie hieronder) en één van de twee die we er zelf zagen.


 

   Uit het archief

  

Foto van het Centro Storico in de jaren zeventig, afkomstig uit een brochure van die tijd.

 

   Literatuur

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Mondo Agnelli - Fiat, Chrysler and the Power of a Dynasty - Jennifer Clark - 2012
Agnelli en het netwerk van de Italiaanse macht - Alan Friedman - 1988
Die Agnellis - Die heimlichen Herrscher Italiens - Vito Avantario - 2005
Forty Years of Design with Fiat - Dante Giacosa - 1979
Fiat Personenwagen - Fred Steininger - 1994
Les Belles italiennes - div. auteurs - 2007
Fiat 500, gisteren, vandaag en morgen - Gianni Cancellieri en Lorenzo Ramaciotti - 2003
Fiat 500/600 - Walter Zeichner - 1994
Fiat 500+600 - Malcolm Bobbitt - 1994
Carrozzeria Italiana - div. auteurs - 1980
Centro Storico Fiat - Fiat PR-afdeling - 1976
Centro Storico Fiat - Fiat PR-afdeling - 2012