Eerder verschenen columns
______________________________________________
 

 

 


 

 

Titanic
Ongelooflijk. Onbegrijpelijk. Onverantwoordelijk. Ontluisterend.
Aan die woorden moet je pagina na pagina denken bij het lezen van het boek Crash Course, the American automobile industry's road to bankruptcy and bailout - and beyond.
Pulitzer-prijs winnaar Paul Ingrassia beschrijft de ontwikkeling van de Amerikaanse auto-industrie in de afgelopen decennia. Hij schetst een dramatisch beeld over de rol van de verschillende betrokkenen bij de desastreuze ontwikkelingen in de laatste tien jaar, uitmondend in het faillissement van General Motors en Chrysler in 2009. Het boek gaat over “De Grote Drie” van Detroit, maar eigenlijk ook over de sociaal-economische en politieke verhoudingen in Amerika en misschien ook wel over de industrie in ons deel van de wereld.
 
General Motors was ooit de onbetwiste grootmacht van de autowereld. Het grootste bedrijf ter wereld. Het toonbeeld van een succesvolle internationale onderneming. Het voorbeeld voor vrijwel alle grote en multinationale ondernemingen hoe je een gedecentraliseerd bedrijf leidt.
GM werd het toonbeeld van falen. Van een reus op lemen voeten. Van het ontkennen van problemen. Van de aantastbaarheid van een onaantastbare. De Titanic van de industrie.
(Hoewel Ford nog net op tijd de bakens wist te verzetten, geldt het verhaal in feite voor alle drie de historische grootmachten van de auto-industrie. Chrysler ging net als GM failliet, Ford moest het opgebouwde imperium inkrimpen en een groot deel verkopen.)

Wat ging er dan fout en waarom ging het fout? Het boek geeft zonder het zo expliciet te benoemen een helder antwoord op die vraag. Het ging fout omdat alle betrokkenen bezig waren met hun eigen belangen. Omdat ze alleen oog hadden voor de korte termijn. Omdat ze dachten dat bomen tot in de hemel zouden groeien. Omdat ze dachten dat tegenslagen alleen voor anderen waren. Omdat ze dachten dat je met mooie woorden slechte ontwikkelingen kunt keren zonder de oorzaak aan te pakken. Omdat ze verworvenheden van het verleden niet ter discussie wilden stellen. Omdat ze de werkelijkheid negeerden. Omdat ze hun eigen wereld niet meer van de echte konden onderscheiden. Omdat ze arrogant en machtsbelust waren.

Er is niet één schuldige. De managers van de bedrijven waren gebiologeerd door de gigantische winsten als gevolg van de concentratie op één soort auto’s. Waarom zouden ze nog investeren in gewone middenklassers en zuinige auto’s als de markt vroeg om benzineslurpende pick-ups en SUV’s? Waarom zouden de lage olieprijzen niet altijddurend zijn? Anders dan de Japanse en Koreaanse concurrentie hielden ze geen rekening met andere tijden en snel veranderende voorkeuren van klanten.

Minstens zo schuldig zijn de vakbonden. Ingrassia schildert de vakbondsleiders af als tegenpolen van de bedrijfsleiders, maar minstens zo machtsbelust en op eigen gewin gericht. Ze onderhandelden goudgerande regelingen voor werknemers en oud-werknemers, waarmee de bedrijfsleidingen uit angst voor stakingen akkoord gingen, maar die uiteindelijk onbetaalbaar bleken te zijn. Nooit keken ze naar het belang van de sector op de langere termijn, naar het belang van de samenleving als geheel. Het is stuitend te zien hoe ouderwets de arbeidsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers in Amerika waren (en waarschijnlijk nog altijd zijn).

Tegelijkertijd creëerden de managers voor zichzelf werelden van luxe die alle grenzen van redelijkheid overschreden. Het boek staat vol voorbeelden. Werknemers in de auto-industrie konden na 30 jaar werken met pensioen, dus al op 48-jarige leeftijd. Gezondheidszorgkosten waren een zaak van bedrijven, niet van werknemers. Sommige werklozen hadden het beter dan werkenden. Gepensioneerde managers kregen elk jaar tot hun dood gratis twee nieuwe auto’s van het bedrijf.
De verhouding tussen actieven en inactieven werd steeds ongunstiger. Per auto moest meer dan 1500 dollar worden verdiend om alleen de kosten voor de gepensioneerden te kunnen betalen. En die hadden de bedrijven héél veel.

In de tussentijd kelderden de marktaandelen. De Amerikaanse burger ging opeens wel op benzineverbruik letten en koos voor importmerken. Die hadden inmiddels fabrieken neergezet in de VS zonder zich te laten chanteren door de machtige vakbond.
Had niemand in de gaten dat dit systeem wel moest doldraaien? Kennelijk niet. Dat is juist zo onbegrijpelijk. Maar geldt dat niet net zo goed voor de bankenwereld, voor de houding van de Amerikaanse republikeinen inzake het begrotingstekort en voor de Europese politici en de Griekse overheidsfinanciën? Zijn de voorbeelden uit de krant van vandaag ook geen Titanic-verhalen?
Het is triest te moeten constateren dat kennelijk alleen de wal het schip keert. Of een ijsberg.
Iedereen ziet de gevaren, maar is ervan overtuigd dat de onaantastbaarheid zal zegevieren. GM failliet? In 2007 werd het idee alleen al belachelijk genoemd. In 2009 was het realiteit.
Crash course: verplichte kost voor alle bestuurders. En daarmee zijn niet de automobilisten bedoeld.

1 sepember 2011