So British!

Brussel



●  Tijdelijke expositie in Autoworld
●  Thema: Engelse auto's  
●  Nadruk op jaren '50-'60-'70
●  Van familieauto's tot supercars 


januari 2020
 

  


Met het stuur aan de verkeerde kant   
 

Om het jaar organiseert Autoworld in Brussel rond de jaarwisseling een grote thematentoonstelling als aanvulling op de vaste presentatie van de collectie. Er wordt veel energie in gestoken om er wat bijzonders van te maken, hebben we ervaren bij de eerdere tentoonstellingen over het werk van drie generaties Porsche (zes jaar geleden) en over de topstukken van Italiaans design (in 2015/16). Rond deze jaarwisseling draait het om Britse auto's. Zou het opnieuw een geslaagde formule zijn? Alleen een bezoek kan het goede antwoord geven op die vraag. 
 


Bijna ieder weekeinde is er wel ergens een manifestatie met oude auto's. In Autoworld was ik al zes keer eerder. Toch zijn er twee aanleidingen om opnieuw naar Brussel te gaan. Als eerste de mooie jeugdherinneringen aan de tijden dat de Britse auto-industrie nog aanzien had. Tijden waarin het pond gezag uitstraalde in de financiële wereld en een man met een bolhoed in Londen net zo gewoon was als een jongere met een gescheurde spijkerbroek nu. Tijden waarin de excentrieke Britse romanschrijfster Barbara Cartland opzien baarde door in een witte Rolls-Royce te rijden. Een witte! Dat was een regelrechte aanval op de ongeschreven regels van de klassensamenleving, maar voor de Londense dealer Jack Barclay was de klant koning. Koningin in dit geval. Dat John Lennon reisde in een gele Rolls Phantom met psychedelische beschildering was erger dan majesteitsschennis. En dat wil wat zeggen in Groot-Brittanië.
De tweede aanleiding vormen de warme gevoelens bij het terugdenken aan de show van vier jaar terug. De bovenverdieping van het museum was kunstig omgetoverd in een Italiaanse stad. Ingenieuze decors van doek lieten de bezoeker geloven in een ander land te zijn, met de bijpassende klassieke auto’s. De gevels leken driedimensionaal, de openstaande luiken van de ramen net echt, terwijl ze nog platter waren dan een dubbeltje. Een soortgelijke opzet met Engeland als achtergrond belooft veel goeds. Enkele foto’s op internet tonen bovendien interessante modellen.

 

 

Automatische piloot
Vandaag, zaterdag 25 januari, is de voorlaatste dag van de expositie. Overmorgen gaan de auto’s weer terug naar hun eigenaren. Een eerder bezoek was de bedoeling, maar dat ging door omstandigheden op het laatste moment niet door. Het maakt verder niet uit. De rit naar Autoworld is me bekend. Binnen twee uur sta je op de stoep als het verkeer doorstroomt. In het weekend is dat doorgaans het geval. Het is een gevalletje automatische piloot, dacht ik. Maar omdat wordt aangeraden altijd voorbereid op reis te gaan, raadpleegde ik voor alle zekerheid de museumwebsite nog even. Dat bleek wijs. Parkeren voor de deur, zoals alle andere keren, is sinds 1 januari niet meer mogelijk. Er zijn werkzaamheden aan de gebouwen en het Jubelpark is afgesloten voor bezoekers. Zoek een plaatsje langs de straten in de buurt of in één van de parkeergarages, is het advies. Het eerste lijkt voor een zaterdag weinig realistisch, het tweede klinkt niet veel beter. De garages in de omgeving hebben een zeer beperkte capaciteit. Waarom niet gebruik gemaakt van één van de verschillende P&R-mogelijkheden om vervolgens met de metro naar station Merode te reizen, op een paar minuten lopen? Het lijkt een goede optie. Het navigatiesysteem krijgt als bestemming Roodebeeksesteenweg. Er is nog een verandering sinds vorige keer. Brussel heeft milieuzones en alle auto’s moeten zijn geregistreerd, ook buitenlandse. Dat kan online, maar is nog een heel gedoe. De website van de ANWB heeft echter goed nieuws. Sinds medio 2019 is er voor Nederlanders een vrijstelling. De vaderlandse kentekenadministratie en de Belgische milieuautoriteiten hebben een uitwisselingsverdrag gesloten. Dat scheelt weer.
 

Bij de ingang staan een paar actuele modellen van Britse fabrikanten.

Parkeergarage
De keuze voor de P&R blijkt alleen in theorie een goed idee. In de praktijk is die onuitvoerbaar. Het staat er om half tien op zaterdagochtend barstensvol. Het aantal geparkeerde auto’s is naar schatting anderhalf keer zo groot als het aantal reguliere parkeerplaatsen. Een aantal parkeerders heeft er geen probleem van gemaakt zelfs de wegen tussen de parkeervakken te blokkeren. Het alternatief is een zoektocht naar een plek in de buurt of in een garage. Al snel blijkt dat ik nog een verkeerde inschatting heb gemaakt. Anders dan verwacht is er in de garage van Galerie du Cinquantenaire aan de Menapiërsstraat nog volop ruimte. De weerzin om voor parkeren te betalen is niet voorbehouden aan Hollanders, concludeer ik. De garage is naast het metrostation waar ik anders ook zou zijn uitgestapt. Van hier naar het museum is het zo’n drie minuten lopen. Nog voor tienen sta ik voor de deuren van het vroegere tentoonstellingspaleis uit 1880, gebouwd om het vijftigjarig bestaan van het Koninkrijk België te vieren. Ik ben niet de enige bezoeker. Er staat al een rij van mensen die naar binnen willen. Eenmaal voorbij de kassa is van echte drukte echter geen sprake. Het museum is groot en ik sla de vaste collectie over om meteen naar boven te gaan. De hedendaagse Britse auto’s op de begane grond komen straks wel aan de beurt. Het gaat me immers vooral om de klassiekers.

 

Enkele merken zijn nog overgebleven, zoals Bentley, Land-Rover, Jaguar en Mini.

Links stuur
De tijdelijke tentoonstelling is groots opgezet. Net als vier jaar geleden is een omgeving gecreëerd die past bij de auto’s. Maar zo mooi als Italië is Engeland niet. Niet in werkelijkheid en zeker niet hier in Brussel. De uitvoering is minder betoverend. Je krijgt niet echt het gevoel in een andere wereld terecht te zijn gekomen. Een Britse telefooncel en een zebrapad met ‘Look right’ doen hun best, maar slagen er slechts gedeeltelijk in. Daar komt nog iets bij. Een kleinigheid misschien, maar toch. De meeste auto’s hebben het stuur aan de verkeerde kant. Dat wil zeggen: links. Het zijn Britse modellen die destijds op het vasteland zijn verkocht. Ze staan opgesteld alsof ze deel uitmaken van het Engelse verkeer. Dat voelt niet helemaal lekker, zeker niet met de Belgische nummerplaten. Het klinkt zwaarder dan het is; de opstelling en aankleding is veel aantrekkelijker dan wanneer de auto’s er zomaar zouden staan. De inrichters hebben goed hun best gedaan er een mooie show van te maken. Gekleurde spotlights verhogen de sfeer, al vertekenen ze op de foto’s de kleur van de auto’s.
 

Rijen Britse auto's zoals ze door de straten van onder meer Londen rijden. Maar de meeste wel met links stuur.

Het decor is gebaseerd op Regent Street in Londen.

Met doek is een sfeervol decor geschapen.

Vooraan een Triumph Stag, gemaakt tussen 1970 en 1978 met een V8 onder de motorkap.

Piccadilly Circus verwelkomt grote en kleine gasten.

Regent Street
De eerste auto’s die ik tegenkom, boven aan de trap, schetsen ironisch de historie van de naoorlogse Engelse auto. Naast de iconische Mini en eerste Range Rover staan een Triumph Dolomite en Rover SD1: modellen die destijds de definitieve teloorgang van de sector inzetten. Hoe aardig de concepten ook waren, de kwaliteit schoot ernstig tekort. Later zouden de Austin Allegro en Morris Marina de trend versneld doen doorzetten. Ze ontbreken hier in Brussel. Het moet wel leuk blijven. Dat doet het zeker met zo’n cabriolet op basis van de Jensen Interceptor, een Marcos, Aston Martin met Zagato-koetswerk, een Vanden Plas Princess of – heel wat anders – een Austin A30 en Mini Countryman met de houten accenten.
Centraal onderdeel van de tentoonstelling is de hoofdstraat, Regent Steet in Londen, met een doorsnee van het vroegere Britse aanbod. Het leuke is, dat van veel bread and butter cars bijzondere varianten zijn neergezet. In plaats van een Hillman Minx staat er de luxe Sunbeam Rapier, de BMC Farina-reeks van rond 1960 is niet vertegenwoordigd door een Morris Oxford of Austin Cambridge maar door een Wolseley. Waar je de Jaguar Mark 2 geregeld tegenkomt bij bijeenkomsten van liefhebbers, staat hier de minder elegante voorganger met de dikkere raamstijlen en kleinere achterruit. Er staat geen Ford Consul maar een Zephyr. De Ford Anglia is een Sportsman, met het reservewiel achterop, naar het voorbeeld van de Amerikaanse Thunderbird. Van de Morris Minor wordt de cabrioletversie getoond en van de Austin A50 de exclusieve pick up. Ik kan me niet herinneren zo’n auto ooit eerder te hebben gezien. Het meest opvallend is de Triumph 1800, waar de passagiers een plek in de kofferbak krijgen toebedeeld.
 

Modellen uit de jaren zeventig: Triumph Dolomite en Range Rover.

In 1976 introduceerde Rover de 3500 V8 (codenaam SD1). Deze 2600 uit 1986 is daarvan afgeleid.

Austin Mini Countryman en Morris Mini Minor, twee variaties op het thema Mini.

Vooraan de Cooper-versie van de Mini, succesvol in vele rallys.

De Morris- en Austin-versies van de Mini hadden een verschillende grille.

Deze Jensen Interceptor Convertible (1976) is één van de laatste, in Amerika geleverd.

Zagato ontwierp in 2013 de carrosserie voor deze bijzondere Aston Martin DB9.

De auto is een van de jongste modellen van de tentoonstelling.

De oer-Land-Rover, met de koplampen dicht bij elkaar.

Vanden Plas Princess 1959: een statige limousine naar goede Britse traditie.

De auto maakt gebruik van Austin-techniek.

Meer dan 200 km/u is de top van de Marcos 3 Litre (1971).

De TVR Sagaris (2005) is, laten we het neutraal zeggen, opvallend gestijld.

Links een Jaguar XJ-S, rechts een Lotus Esprit.

Austin A30 1955 met twee deuren. Er was ook een vierdeurs variant.

De typenaam van deze Riley uit 1957 is One Point Five, geheel uitgeschreven en dus niet 1.5.

De Rover 100 was in die tijd onderdeel van de Britse cultuur en had als bijnaam 'Auntie Rover'.

Sunbeam Rapier (1957), de luxe hardtop-versie van de Hillman Minx.

Zes cilinders heeft een Ford Zephyr Six; vier de goedkopere Consul.

De achteroverhellende achterruit was hét karakteristieke kenmerk van de Ford Anglia.

Dit is de Sportsman, met het reservewiel achterop.

Een Bentley S1 en Jaguar XK voor een fotodecor van Londen.

Op de grille en badges na is de Bentley identiek aan de (duurdere) Rolls-Royce.

Morris Minor 1000 Convertible (1958) en Wolseley 16/60 (1965).

In de jaren direct na de oorlog bouwde Triumph de 1800.

De achterpassagiers vonden een opmerkelijk plekje in de kofferbak.

Wat in Europa de Volkswagenbus was, was in Engeland de Bedford CA.

Deze auto is van 1957 en in Europa afgeleverd met een links stuur.

Austin 1/2 Ton pick-up uit 1971; het model werd in 1957 gepresenteerd en kreeg in 1962 een facelift. 

Een dergelijke auto zul je niet vaak tegenkomen.

De Jaguar Mk 1 is te onderscheiden van de populairdere Mk 2 door de dikke raamstijlen en kleinere achterruit.

 

Jaguar (1959) en Triumph (1976) gebroederlijk naast elkaar. 

Onmiskenbaar Brits: de Londense taxi en een Rolls-Royce Silver Cloud.

Sportwagens
In het decor van Regent Street zijn echte etalages gemaakt. Ze tonen bekende Engelse producten en de bij de tentoonstelling passende merchandising. Klassiekers van Matchbox en Dinky Toys laten de autowereld van vroeger in miniatuur zien. Aan het eind van de straat ga ik de hoek om. Daar is een hele stoet compacte Britse sportwagens opgesteld. Ooit was het land leider in deze klasse. De MG’s A en B, Triumphs TR, Sunbeam Alpine en Austin-Healey waren overal ter wereld geliefd. Wie kent ze niet? Na de oorlog was Amerika een belangrijke exportmarkt. Ook hier staan tussen de gewonere typen een aantal bijzonderheden zoals de AC Ace Bristol, Daimler SP 250, Lotus Super Seven en Jowett Jupiter. Deels zijn ze écht Brits, met het stuur rechts, deels zoals ze in het overgrote deel van de wereld werden afgeleverd.
De wandeling door de virtuele Britse stad brengt de bezoeker vervolgens in exclusieve sferen. De parkeerplaatsen zijn voor Residents Only. Hier wonen de ver-boven-modale Britten die zich een Jaguar, Rolls-Royce, Aston Martin of Bentley kunnen veroorloven. Op een binnenplaats staan de luxe auto's bij elkaar, aangevuld met de zeer exclusieve Bristol 406, Jensen 541 en Gordon-Keeble. Mooi dat ze hier staan. Je ziet ze zelden bij manifestaties of in musea. Van de Gordon-Keeble met Chevrolet-motor, getekend door Giugiaro en tussen 1964 en 1967 gebouwd door Bertone, zijn er precies 100 gemaakt. De Bristol (1958-1961) bracht het tot 174 exemplaren, de Jensen (1954-1959) tot 226.
 

Engelse producten en merchandising in de etalages van de hoofdstraat.

Engeland was ook de bakermat van de miniatuurmodellen.

Een Bedford en Mini Moke van Dinky Toys.

Bijzondere Estate Cars in het klein, op basis van Rolls-Royce en Lotus.

Lotus Seven MK2 (1964), Morgan (2015) en Ariel Atom (2007): buitenbeentjes van de Britse sportwagenwereld.

Een serie sportwagens staat mooi opgesteld in een zijstraat.

AC Ace Bristol (1959) met een twee liter zescilinder motor.

Ook deze auto is met z'n stuur links buiten het Verenigd Koninkrijk afgeleverd.

De Daimler SP250 was het laatste model van Daimler voordat het in 1960 werd overgenomen door Jaguar.

De geribbelde grillerand is handelsmerk van Daimler. Daarachter ligt een V8.

Vier jaar (1950-1954) bleef de Javelin Jupiter in productie.

Zo'n 900 van dergelijke auto's zijn destijds gemaakt.

Austin-Healey 100/4, gemaakt in 1953.

Links een Triumph TR2 uit 1954, rechts de Subeam Alpine van 1967.

Een exclusief hofje met auto's voor de welgestelden.

Een Gordon-Keeble en Jensen zie je niet vaak, ook niet in musea.

Van de Gordon-Keeble zijn er 100 gemaakt. Opmerkelijk: het logo van de auto is een schildpad!

Jensen 541 met een grille die open en dicht kan gaan om de koeling te reguleren.

Het bizarre merk Bristol is vertegenwoordigd via de 406. Kennelijk maakte Peugeot geen bezwaar tegen de naam.

Een Bentley Continental en Rolls-Royce Corniche voor rijke eigenaren.

De S1 Continental Coupé (1959) is een Bentley die niet als Rolls-Royce te koop was.

Supercars
Hoezeer de Britse auto-industrie het aureool van vergane glorie heeft, de sector heeft ook een aantal zogeheten supercars voortgebracht en doet dat trouwens nog steeds. Een vijftal is bij elkaar gezet in een zijzaaltje, waaronder de Jaguar XJ220 (1992-1994) en de McLaren F1, geproduceerd tussen 1994 en 1998 en winnaar van Le Mans in 1995. Lange tijd gold dit als de snelste productieauto ter wereld met een topsnelheid van ruim 380 km/u, ruim 30 meer dan de Jag. Het was de eerste productieauto met een zelfdragende carrosserie van koolstofvezel versterkte kunststof. Zelfs bij stilstand stralen de beide zilvergrijze kanonnen snelheid uit. Van de McLaren zijn ruim 100 stuks gebouwd, bij Jaguar stond de eindteller op 281.
Een andersoortige exoot is de Aston Martin Lagonda die met zijn scherpe lijnen bij de presentatie in 1974 een bezienswaardigheid was. Het was de eerste auto met een digitaal dashboard. De ontwikkelkosten daarvan zorgden, samen met de problematische werking, dat Aston Martin er commercieel weinig plezier aan beleefde. Tot 1990 bleef de auto in productie, maar in al die jaren zijn er niet meer dan 645 gemaakt. Dit exemplaar is van het laatste productiejaar.
In de buurt van de grote sedan staan, half in het donker, een Ford Cortina Lotus en een Escort in rallytenue.

 

McLaren F1, destijds de snelste coupé ter wereld.

Jaguar verraste de wereld in 1992 met zijn supercar XJ220.

Over smaak valt niet te twisten.... dus ook niet over het uiterlijk van deze McLaren.

Futuristisch en uitgesproken: de Aston Martin Lagonda. Commercieel een grote flop.

Zes koplampen en geknepen achterlichten: ze passen bij het opzienbarende uiterlijk.

Wat in het donker in een zijpad: de Ford Lotus Cortina en een Escort in sporttenue.

Snelheidsduivels
Beneden in het museum, onderaan de trap, staat nog een serietje snelheidsduivels. Deze zijn speciaal gemaakt voor het circuit. Ze zijn indrukwekkend en worden veelvuldig op de foto gezet. De écht gespecialiseerde liefhebber haalt er de neus voor op. Zowel de Jaguar D-type als de lichtgewicht E-type zijn nagebouwd en niet origineel. Dat er replica’s van zijn, bewijst wel hoe waardevol de originele auto’s zijn.
Over waardevol gesproken: in het midden van de museumzaal staat de nieuwste uitvoering van de Rolls-Royce Phantom met Extended Wheel Base. Ofwel: heel lang. Waar tot en met de jaren zeventig de helft van de gemaakte Rolls-Royces bestemd was voor klanten in Groot-Londen, zijn vandaag de dag China en de Arabische landen belangrijke afzetmarkten. Over smaak valt niet te twisten, dus ook niet of deze zelfverklaarde beste auto van de wereld een aantrekkelijke verschijning is. Imposant, pompeus en nadrukkelijk aanwezig is de wagen zonder enige twijfel. De prijs? Wie daarnaar moet vragen, heeft te weinig geld om er eentje te kopen, luidt steevast het antwoord.
 

Op de begane grond staan enkele Britse auto's voor op het circuit.

Let op: beide modellen zijn replica's van beroemde originelen. Jaguar D-Type en lichtgewicht E-Type.

Midden op de museumvloer staat het nieuwste model Rolls-Royce Phantom.

Bescheidenheid of ingetogenheid zijn niet de woorden die je te binnen schieten bij deze kolos.
 

België
Als het virtuele bezoek aan het vroegere Engeland is afgerond, maak ik nog een rondje door de rest van het museum. De meeste auto’s zijn bekend, maar het valt me op dat de presentatie zo her en der aanzienlijk is verfraaid. De collectie Belgische merken is uniek. Te midden van de Minerva’s, FN’s, Fondu’s en andere merken, staat op een groot rond plateau een door het Belgische koetswerkbedrijf Coune tot coupé omgebouwde MG B. Die sluit mooi aan bij het thema van de tijdelijke tentoonstelling. Exact 56 zijn ervan gemaakt, waarvan er nog 14 over zijn, voor zover bekend. De belangstelling voor deze versie verdween snel toen de fabrikant zelf een gesloten versie ging maken, de MG B GT.
Tijdens de rondgang zie ik enkele auto’s van de vaste collectie die boven niet hadden misstaan, zoals de Standard Vanguard, Morris Mini Cooper, Scootacar, Triumph Spitfire, Sunbeam Alpine en Rover 2200 met reservewiel op het kofferdeksel. Stuk voor stuk zijn ze onmiskenbaar Brits en roepen ze dezelfde herinneringen op.
So British! is vooral een parade van niet meer bestaande merken. Uit een periode dat het Verenigd Koninkrijk los stond van Europa. Zie hier: het verleden is de toekomst. Over nog geen week is de brexit een feit. Het is voorbij. Ze komen niet meer uit de fabrieken, de auto's met het merkplaatje Austin, Morris, Wolseley, Riley, Hillman, Singer, Sunbeam, Humber, Rover, Standard of Triumph. Ook Bedford als merk van bedrijfswagens is sinds 1991 geschiedenis. De meeste merken die wel hebben kunnen overleven, zijn in buitenlandse handen. In India wordt beslist over het lot van Jaguar en Land-Rover, in Duitsland over Bentley en Rolls-Royce. De financiers van de exotische merken zijn veelal ook geen Britten.
Veel van de oude glorie is hier nog één keer bijeengebracht, waarbij het ontbreken van Vauxhall het meest opmerkelijk is. Er staat er niet één.
 

Opmerkelijk genoeg staat er niet één klassieke Vauxhall (afbeelding: brochures uit eigen archief).
 

Een coupé op basis van de MG B voordat de fabriek er zelf mee kwam.

De koplampen hebben kunststof kappen en de achterkant is geheel nieuw ontworpen.

Een Mini en mini-Mini: Austin Cooper en Scootacar. De laatste heeft slechts één deur en één zitplaats.

Weggestopt in een soort garage: een klassieke Bentley.

Twaalf cilinders heeft de Jaguar XJ12 (1972), zes de Rolls-Royce Silver Wraith uit 1948.

Standard Ten (1954). De auto staat in de stelling aan de zijkant van het museum.

Bruin was toen helemaal geen gekke kleur voor een Triumph Spitfire of Rover 2200.

Standard Vanguard en Sunbeam Alpine: ze hadden op de bovenverdieping niet misstaan.

 

 

Verdwenen en nog bestaande merken  

 

AC

1903 - nu

 

 

Aston Martin

1913 - nu

 

 

Austin

1905 - 1987

 

 

Bedford

1931 - 1991

 

 

Bentley

1919 - nu

onderdeel van de Volkswagen-groep

 

Bristol

1945 - nu

 

 

Daimler

1896 - 2007

 

 

Jaguar

1931 - nu

eigendom van Tata (India)

 

Jowett

1906 - 1954

 

 

Lanchester

1896 - 1955

 

 

Land Rover

1948 - nu

eigendom van Tata (India)

 

Lotus

1948 - nu

eigendom van Geely (China)

 

Marcos

1959 - 2007

 

 

McLaren

1985 - nu

 

 

MG

1923 - nu

eigendom van SAIC (China)

 

Morgan

1910 - nu

 

 

Morris

1912 - 1984

 

 

Riley

1898 - 1969

 

 

Rolls-Royce

1904 - nu

onderdeel van BMW

 

Rover

1904 - 2005

 

 

Standard

1903 - 1963

 

 

Triumph

1923 - 1984

 

 

TVR

1946 - nu

 

 

VandenPlas

1913 - 1980

 

 

Vauxhall

1903 - nu

onderdeel van PSA (Frankrijk)

 

Wolseley

1896 - 1975

 

 

Zeven euro
Als afsluiting van het bezoek sta ik nog even stil bij de nieuwste Bentley Continental Coupé en Rolls-Royce Wraith Black Badge. Die laatste heeft een opvallende lak waarbij de schijnwerpers verschillende kleuren van de regenboog naar voren toveren. Hiermee vergeleken is de witte auto van Cartland ingetogen. Ook een McLaren kies je niet als je onopvallend over straat wilt.
Ik ga richting parkeergarage en zie tot mijn verbazing dat het plein voor het museum vol staat met geparkeerde auto's. De afzetting die er vanochtend nog was, blijkt weggehaald. Wisten deze bezoekers dat of zijn ze op goed geluk naar het museum gereden? Het is onbelangrijk. Met een parkeergaragetarief van zeven euro voor een halve dag laat Brussel zich van een sympathieke kant zien. Tot over twee jaar wellicht.
 

De lak van de Wraith zorgt voor een speling van het licht.

Het nieuwste model van de Bentley Continental GT.

Laag en breed: de nieuwe stijl van het huis.

720 pk levert de V8 van de McLaren 720S. Meer dan drie ton moet je ervoor neertellen.
 




 

  Gerelateerde webpagina's:

  

 

In twee uur met de auto naar Italië
 
Je bent in Brussel, maar waant je in Italië.
Verslag van een bezoek aan een schitterende
tentoonstelling met Italiaanse auto's in de hoofdrol.

januari 2016

 

Met de erfenis van Ferdinand terug naar af

De erfenis van Ferdinand Porsche staat centraal in een
tijdelijke tentoonstelling in Autoworld in Brussel.
Begin- en eindpunt zijn hybride-auto's.

december 2013