Alvis-tentoonstelling

Den Haag



●  Geschiedenis van Alvis
●  Tijdelijke expositie in Louwman Museum  
●  Dwarsdoorsnede van de hele modelreeks
●  Geen eigen koetswerken    
●  Veel technische innovaties   


december 2019 / januari 2020
 

  


Kleine speler met een groots verleden   
 

Ter gelegenheid van het feit dat honderd jaar geleden het Britse automerk Alvis ontstond, staan in de hal van het Louwman Museum tijdelijke zeventien modellen tentoongesteld. Ze geven een mooi beeld van de geschiedenis van het bijzondere merk, waaraan in 1967 een einde kwam. Liefhebbers hebben hun eigendommen als tastbare objecten van hun fascinatie tijdelijk afgestaan. Dat geeft anderen de gelegenheid eens beter kennis te maken met Alvis.  
 

 

De aankondiging, afgelopen herfst, van de tentoonstelling over 100 jaar Alvis was aanleiding eens wat dieper in de historie van het merk te duiken. De naam was me natuurlijk bekend, net als een aantal naoorlogse modellen. Ik wist dat het Britse merk in de loop van de jaren zestig het loodje had gelegd. Maar heel veel meer eigenlijk niet. Af en toe kwam ik afbeeldingen tegen in boeken over de Engelse auto-industrie. In musea, bij manifestaties en bij handelaren zag je er soms een in het echt (zie hieronder). Het merk had voor mij echter weinig bijzondere betekenis. Dat veranderde deze zomer. Alvis kwam in beeld bij de Nationale Oldtimerdag in Lelystad vanwege het feit dat het merk honderd jaar geleden werd opgericht. 
In mijn boekenkast zocht ik daarna naar het kleine boekje over Britse auto’s uit 1962, ooit gekocht voor 49 cent bij de Slegte, compleet met verroeste nietjes. Alvis is nog gewoon een aanbieder in het luxe segment. "Unchanged for 1962 are the Alvis three-litre four-seater saloon and convertible. Styling is by Graber and coachwork by Park Ward". De auto heeft een top van meer dan 100 mijl per uur, onafhankelijke voorwielophanging en schijfremmen op de voorwielen. Het interieur ademt luxe met leren bekleding, notenhouten dashboard, zwaar tapijt en ondertapijt.  Bij de opmerkingen lees ik over de reusachtige deuren: “The makers claim that the doors are so wide that there is no need to fold the front seats forward to allow passengers to get into the rear seats.”
 

Af en toe tref je een Alvis in een museum, zoals deze voorwielaangedreven FA in Autostadt in Wolfsburg.

In 2009 stond in het toenmalige Meilenwerk in Böblingen deze Alvis Silver Eagle te koop.

Afgelopen juni bracht deze Alvis Speed 25 uit 1936 een bezoek aan het Louwman Museum.

Een speciale Alvis Speed 20 Special van 1936, deze zomer in Lelystad.

Een fraaie Speed 25 Drophead Coupé (1939) tijdens het Concours d'Elegance in Apeldoorn in 2010.

Een TA14 van 1948 bij een veiling in 2012.

Tijdens de oldtimerdag van 2012 in Zoetermeer was deze TA21 van 1952 van de partij. 

Deze twee auto's die deelnamen aan de Nationale Oldtimerdag staan nu tijdelijk in het Louwman Museum.

Ook in Lelystad: een TA21 Drophead Coupé uit 1952.

Bij diezelfde manifestatie was deze TC21 uit 1954 aanwezig.

Uit het foto-archief: in 2008 gezien in Malden bij Nijmegen: een TC21 uit 1954.

In 2014 stond bij Classic Park in Boxtel deze Alvis TA21 uit 1954 te koop.  

Op de beurs Interclassics in Maastricht liep ik datzelfde jaar deze Alvis tegen het lijf. 

Op het Concours d'Elégance van Apeldoorn in 2010 stond deze Alvis TD21 met Graber-koetswerk uit 1959.

Mijn boekje uit 1962 met beschrijvingen van de Alvis.

Pantserwagens
Als de hal van het museum straks vol staat met Alvis-modellen, wil ik er toch wat meer over weten, dacht ik. Als aanvulling op de feiten volgens Wikipedia, bestelde ik het kort geleden verschenen boek ‘Alvis, The Complete Story’ van Matthew Vale. De inhoud bleek verrassend en in eerste instantie wat teleurstellend. Anders dan het omslag suggereert, is het namelijk maar gedeeltelijk een autoboek. Een aantal hoofdstukken beschrijft andere producten met de naam Alvis, zoals vliegtuigmotoren en pantserwagens. Bovendien moest ik me door vele pagina’s vol technische wetenswaardigheden heen worstelen. Vale heeft complete wel erg letterlijk opgevat. Tot in de kleinste details beschrijft hij pagina na pagina de karakteristieken van de automotoren van Alvis. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik een aantal hoofdstukken diagonaal heb doorgenomen. De beschrijvingen van de pantserwagens heb ik bewaard voor later, met de ernstige twijfel of dat later ooit wordt ingevuld. Toch was het boek geen miskoop. Er ging een nieuwe wereld open. Het werd me steeds duidelijker dat Alvis geen automerk is geweest als vele andere.
 

Onderdeel van de tentoonstelling is een presentatie van boeken en brochures.

Vonk
Dat Alvis bijzonder is, hoef je de leden van de Alvis Owner Club Nederland niet te vertellen. Het is aan hun enthousiasme en toewijding te danken dat een groter publiek kan kennismaken met hun favoriete merk. Ter gelegenheid van de expositie is een speciaal boek uitgekomen: Geschiedenis van een markant automerk. Hierin vertellen de clubleden hoe ze eerst eigenaar Evert Louwman en later directeur Ronald Kooyman wisten over te halen tijdelijk ruimte in hun museum ter beschikking te stellen. Met onder hun armen een karrenvracht aan documentatie hadden ze genoeg bewijs om aan te tonen dat Alvis het waard is geëerd te worden. Het honderdste gedenkjaar is daar een mooi moment voor. Na een paar bezoeken slaat de vonk over. De beide mannen van het museum zien wel wat in het idee. Ze stellen wel voorwaarden. De gepresenteerde auto’s moeten met elkaar het hele verhaal laten zien en de moeite van het bekijken waard zijn. Techniek is mooi, maar vaak onzichtbaar. Het oog van de bezoeker wil ook wat.
Nu de tentoonstelling is ingericht, kun je zonder terughoudendheid vaststellen dat aan die voorwaarden is voldaan. Het museum nodigde op donderdag 19 december 2019 relaties en media uit om de opening mee te maken. Tot begin februari staan 17 modellen van Alvis in de grote hal.
 

De Alvis-historie heeft een plaats gekregen in de grote hal van het museum. 

De twee genoemde boeken die overtuigen dat Alvis een merk met bijzondere eigenschappen is. 
 

Uitzonderlijk
Als kleine speler eist het merk een eigen plaats op in de autogeschiedenis. Motoren met lichtmetaal, voorwielaandrijving, een gesynchroniseerde versnellingsbak en onafhankelijke voorwielophanging: op verschillende vlakken is Alvis de concurrentie een slag voor. Het merk is ook anderszins uitzonderlijk. Hoewel het complete auto’s aan de klant levert, concentreert het eigen werk zich op motoren en chassis. De fabriek heeft in de bijna 48 jaar van het bestaan niet één carrosserie gebouwd. Het maken van de koetswerken wordt overgelaten aan specialisten buiten het bedrijf. Dat verklaart de grote verscheidenheid aan modellen, de forse prijzen en de relatief beperkte aantallen. In totaal zijn er 21.000 auto’s afgeleverd, 14.000 vóór en 7000 na de oorlog. Met name in de jaren vijftig en zestig leidt de keuze tot problemen. Er zijn onvoldoende bedrijven die tegen een aanvaardbare prijs een carrosserie kunnen maken. Veel gespecialiseerde koetswerkbouwers verdwijnen doordat steeds meer fabrikanten ervoor kiezen hun auto’s een zelfdragende carrosserie te geven. Zelfs het klassieke en traditionele duo Rolls-Royce/Bentley neemt in de jaren zestig voor de meest gemaakte modellen afscheid van het chassis.
De bijzondere strategie van Alvis verklaart waarom bij de tentoonstelling bij iedere auto de naam van de koetswerkbouwer afzonderlijk is vermeld.
 

Alvis verkocht complete auto's (hier enkele brochures in de vitrine), maar maakte alleen motoren en chassis.

 

John en De Freville
Vooruitstrevende techniek is dus de rode draad door de geschiedenis van Alvis. Het verhaal begint in 1919 als ingenieur Thomas George John (1880-1946) zijn eigen bedrijf start door de bestaande technische onderneming Holley Brothers over te nemen. Het bedrijf maakt een aantal producten, waaronder stationair draaiende motoren. John wordt benaderd door ingenieur Geoffrey de Freville die een viercilinder motor met aluminium zuigers en druksmering heeft ontwikkeld. Een noviteit. John verwerft de productierechten, samen met de merknaam Alvis. De Freville heeft die fantasienaam bedacht omdat die in verschillende talen gemakkelijk is uit te spreken. Op basis van de motor presenteert het nieuwe bedrijf in maart 1920 zijn eerste auto, de 10/30. Dat de tentoonstelling 100 jaar Alvis over de grens 2019/2020 heengaat, sluit perfect aan bij het verleden.
De typenaam 10/30 verwijst naar het echte en het daarvan afgeleide fiscale vermogen, respectievelijk 30 en 10 BHP (british horse power). De auto levert uitstekende prestaties en biedt een hoge kwaliteit.
De start is goed, maar zeer bescheiden. In 1920 blijft de afzet beperkt tot 12 auto’s. Het volgende jaar zijn het er 344 en weer een jaar later is sprake van meer dan een verdubbeling. Omdat het aanvankelijke logo van het bedrijf teveel lijkt op dat van vliegtuigfabrikant Avro, krijgen de auto’s als snel het driehoekige, rode beeldmerk.
In 1921 verandert de naam van het bedrijf. TG John and Co. Ltd wordt Alvis Car and Engineering Company Ltd. De fabriek verhuist naar Holyhead Road in Coventry, tegenover carrosseriebedrijf Carbodies, de latere fabrikant van de beroemde Londense taxi. (De fabriek is al lang afgebroken en heeft plaatsgemaakt voor een groot winkelcentrum. Noem het toeval dat we tijdens een reis in Engeland in 2009 boodschappen hebben gedaan in dat winkelcentrum, op dat moment niet realiserend dat we ons op autohistorische grond bevonden.)
 

De tentoonstelling laat ook schaalmodellen en mascottes zien.

Kopkleppen
Een auto uit de beginperiode is de 12/40, de oudste van de tentoonstelling. Vanwege de vorm van de achterkant is de bijnaam ‘Duck’s Back’. Het lichtgewicht aluminium koetswerk komt van Carbodies, aan de overkant van de straat. Dit type krijgt bekendheid door successen bij verschillende races. De anderhalve liter motor heeft zijkleppen, maar tegen een meerprijs van 75 pond kan de klant ook kiezen voor kopkleppen.
Op basis van de eerste motor ontwikkelt Alvis de 12/50 met standaard kopkleppen. Dit wordt het succesvolste model van het merk. Uiteraard ontbreekt de auto niet bij de tentoonstelling. Het is een SB; kenners weten dan dat het om een 1600 cc’er gaat. Het ontwerp is van Captain Smith-Clark en William Dunn. De eerste heeft zijn sporen eerder verdiend bij Daimler. Het uiterlijk is niet erg opzienbarend en is een product van Cross & Ellis. Op de radiator staat een haas als mascotte. Bij latere modellen kom je, afhankelijk van de auto, een vuurvlieg of een adelaar tegen. De mascottes zijn er in vele varianties.
Als veel fabrikanten gebruikt Alvis races om publiciteit te genereren. Een 12/50 racer wint de Brooklands 200 mile race. Ondanks dit succes gaat het financieel minder. Er komen rode cijfers. Een bankroet dreigt, met carrosserieleverancier Cross & Ellis als grootste schuldeiser. Door een kapitaalinjectie kan Alvis echter verder.
 

Alvis 12/40 met een aluminium carrosserie van Carbodies uit 1923.

Vanwege de vorm kreeg de auto de bijnaam Duck's Back.

De Alvis 12/50 is een beroemd model van het merk. Deze Cross & Ellis is van 1924.

De haas is in de beginjaren de mascotte van Alvis.

Voorwielaandrijving
In 1925 presenteert het merk een racewagen met voorwielaandrijving en loopt daarmee voor op de Fransen, Amerikanen en Duitsers. Met succes neemt Alvis deel aan de 24-uur van Le Mans. De opgedane ervaringen worden verwerkt in het straatmodel dat in 1928 verschijnt. Een dergelijke sportwagen, in de toepasselijke kleur British Racing Green, is gekozen als beeld voor de tijdelijke tentoonstelling. De carrosserie is van Cross & Ellis. Aan de ene kant zit een deur, aan de andere het reservewiel. De motorkap is van staal, de rest van de auto is met leerdoek overtrokken. De motoren van dit type hebben een inhoud van 1481 cc. De klant kan kiezen tussen een variant met en zonder compressor. Hoe vooruitstrevend de techniek ook is, door de economische crisis blijft de verkoop steken. Na slechts 142 stuks is het na twee jaar afgelopen.
Intussen is Alvis in 1927 begonnen met het maken van zescilinders. Het type TA14.75 is het eerste met een dergelijke motor. In twee jaar tijd produceert Alvis er zo’n 500. De expositie toont een model uit 1928. Anders dan de meeste vooroorlogse modellen heeft dit géén Engelse carrosserie. Het chassis met motor is geëxporteerd naar Australië en daar door Martin & King uit New Malvern van een koetswerk voorzien. Ook hier is de combinatie metaal en leerdoek gebruikt.
 

Alvis 12/50, de sportwagen met voorwielaandrijving uit 1928.

Het koetswerk combineert metaal met leerdoek. 

Deze auto is gebruikt voor de promotie van de bijzondere tentoonstelling. 

Foto's uit het historisch archief van het merk.

Op monitoren bij de modellen worden de foto's vertoond.

De TA14.75 uit 1928 heeft een zescilinder onder de motorkap.

Testmodel
De zescilinder met zijn Australische koetswerk is niet de enige bijzonderheid. Een Nederlandse eigenaar uit Castricum leende zijn experimentele tourer uit 1932 uit. De auto is destijds gemaakt als testmodel voor een nieuwe viercilinder motor voor het type Firefly. De originele motor ging verloren en werd vervangen door een zescilinder. Te oordelen aan de stickers op de zijkant gebruikt de huidige eigenaar de auto geregeld om ermee aan tochten en races deel te nemen. Eén van de stickers op de groene auto moet je niet te letterlijk nemen: “Be a Friend of the Earth, drive an Green Car”. Erg milieuvriendelijk zal de wagen niet zijn.
In het najaar van 1932 presenteert Alvis de Firefly, een lichtvoetige viercilinder. De haas die tot dan toe als radiatormascotte heeft gediend, maakt plaats voor een vuurvlieg. Het geshowde model is door Cross & Ellis van een buitenkant voorzien. In totaal maakt Alvis 871 Firefly’s: dat wil zeggen chassis met een motor.
Als in 1934 Alvis een volledig gesynchroniseerde vierversnellingsbak en onafhankelijke voorwielophanging presenteert, loopt het wéér voor op de concurrentie. Het technisch kunnen toont zich ook op andere vlakken. Mijn complete historieboek meldt dat in de jaren dertig Alvis de bakens deels verzet. Naast producent van auto’s, ontwikkelt de onderneming zich tot een gerenommeerde aanbieder van vliegtuigmotoren en pantserwagens. Dat blijft trouwens zo tot lang na het beëindigen van de autoproductie in 1967.
Vier, zes… wie biedt er meer? Alvis gaat experimenteren met achtcilinders, vooralsnog alleen voor de racerij. Zo'n achtcilinder is hier ook te zien. Gebruik makend van zo’n experimentele achtpitter en van onderdelen van de racewagen, schept liefhebber Barson in 1939 zijn eigen speciale auto. Het vermogen van de motor is onbekend. De topsnelheid niet. Die is 192 kilometer per uur, voor die tijd ongekend.
 

De originele viercilinder motor ging verloren. In de Alvis ligt nu een zescilinder.

Met de auto wordt nog geregeld (hard) gereden.  

De Firefly is een lichte viercilinder.

Voorop staat niet langer een haas, maar een vuurvlieg.

Alvis experimenteerde met achtcilinder motoren. Barson gebruikte zo'n motor voor zijn eigen model.

Eagle
De reis door de historie en langs de tentoongestelde auto’s loopt parallel. Het is een compliment aan de mensen die de inrichting voor hun rekening hebben genomen. Uit 1935 stamt de zescilinder Silver Eagle, de eerste Alvis met een adelaar als radiatormascotte. Het is een zogeheten 4-Light Saloon. Dat betekent dat er alleen ramen in de deuren zitten en niet in de achterste dakstijl. Van dit type verkoopt Alvis er meer dan 1300. De zwarte auto hier is ontworpen en gemaakt door Holbrook, één van de onafhankelijke carrosseriebedrijven in Coventry.
Een bekendere leverancier van Alvis is Charlesworth, ook gevestigd in Coventry. De ontwerpers hebben met de carrosserie voor de Speed 20SD een mooie prestatie neergezet. De fraaie zilvergrijze Saloon valt op door het lage chassis, waardoor slanke koetswerken mogelijk zijn. De auto heeft een schuifdak. Subtiel zijn de blauwe taillelijn en in dezelfde kleur uitgevoerde draadspaakwielen. In het linkerspatbord is ruimte gemaakt voor het reservewiel.
Naast de dichte Alvis staat een Speed 25, een Tourer. Dit is een typisch voorbeeld van een luxe vooroorlogse Britse auto met sportwagenkenmerken. De zescilinder motor met een inhoud van 3,5 liter zorgt voor een top van 170 km/u. Ook hier zorgt het lage chassis voor een ranke verschijning. Het is een vierdeurs, met uitgesneden voorste deuren. Van het type Speed 25 zijn er 391 gemaakt, meldt het informatiebordje bij de auto. Daarvan zijn er nog 110 over. Van dit speciale model bestaan er nog 19 van de 39 die ooit door Cross & Ellis zijn afgeleverd. 

De Silver Eagle is de eerste Alvis met de adelaar als radiatormascotte.

In dit geval heeft de adelaar verticale vleugels.

Holbrook was verantwoordelijk voor het koetswerkontwerp. Van dit model zijn er nog maar zes overgebleven.

Door zijn lage chassis heeft de Speed 20SD een elegant koetswerk.

De zilvergrijze auto geeft blauwe accenten.

De Speed 25 Tourer: van dit speciale model bestaan er nog maar 19. 

De mascotte op deze auto: de adelaar met horizontale vleugels. 

De voordeuren zijn uitgesneden. Het lijkt zo een tweedeurs.  

In een vitrine ligt de eerste gesynchroniseerde vierversnellingsbak.

Mascotte
De laatste vooroorlogse auto van de tentoonstelling is een schitterend open 4.3 Litre, gemaakt door Vanden Plas op een kort chassis. Dat wil allerminst zeggen dat het een kleine auto is. Integendeel. Opmerkelijk is de tweekleurige uitvoering, met bijpassende velgen. Dat betekent dat de kleur van de velgen voor en achter verschilt. De fabriek gebruikte de auto destijds voor shows en demonstraties. Je kunt je voorstellen dat de wagen bekijks had. Het is beslist een van de fraaiste Britse auto’s van zijn tijd. Een mascotte op de radiator ontbreekt: geen haas, geen vuurvlieg en geen adelaar. Historisch gezien is dat correct. Met de komst van het type 4.3 Litre ziet Alvis af van een fabrieksmatige radiatormascotte. Niet alle eigenaren stellen dat op prijs. De vooraanstaande dealer Brooklands in Londen onderkent de behoefte en laat een mascotte ontwerpen bij Lejeune, het bedrijf dat de eerdere beeldjes voor Alvis maakte. In dit geval is het geen dier, maar een ‘Running Indian’.
 

Een 4.3 Litre met Vanden Plas-koetswerk. Let op de twee kleuren velgen.

Dit is het laatste vooroorlogse model van de tentoonstelling.

De Londense dealer liet voor klanten een mascotte maken toen Alvis die niet meer meeleverde. 

Een merkwaardige plaats voor de snelheidsmeter: uiterst links op het dashboard.  

 

Oorlog
De oorlog slaat diepe wonden. De Duitse Luftwaffe bombardeert de stad Coventry op 14 november 1940. De verwoeste kathedraal is tot op de dag van vandaag een monument. Bijna zeshonderd mensen worden gedood, een kleine 900 zwaargewond. De Duitse propaganda gebruikt een nieuw woord: coventrieren. De fabrieken van Alvis worden zwaar getroffen. Ironisch genoeg niet de panden waar oorlogsmateriaal wordt gemaakt. Het bedrijf zet zich in voor de oorlogsindustrie en maakt onder meer onderdelen voor Rolls-Royce vliegtuigmotoren.
Na de oorlog pakt het bedrijf de draad weer snel op. De naoorlogse geschiedenis krijgt in de tentoonstelling een plaats aan de andere kant van de grote hal. In 1946 verschijnt de TA14, technisch gebaseerd op de vooroorlogse 12/70. De vierdeurs met klassieke Britse lijnen is een product van Mulliner (niet te verwarren met H.J. Mulliner, de maker van vele Rolls-Royce-koetswerken). Opvallend zijn de twee kleuren groen, waarbij de lichte tint neigt naar wit. Bijna 1800 klanten kopen een TA14, het succesvolste Alvis-model van na de oorlog. Desgewenst is er ook een tweedeurs cabriolet. Die komt van overbuurman Carbodies of van Tickford.
 

De restanten van de gebombardeerde kathedraal vormen een monument in het hart van Coventry.

Na de oorlog pakte Alvis de draad weer op met de TA14. Het model ademt nog de jaren dertig. 

De carrosserieën van de saloon-modellen kwamen van Mulliner. 

De naoorlogse Alvis-typen hadden geen mascotte, maar veel liefhebbers plaatsten er een op hun auto.

Duncan
Een veel exclusievere versie is de Duncan Saloon, een tweedeurs zonder middenstijl. Duncan gebruikt aluminium voor zijn carrosserieën. Vergeleken met de vierdeurs van Mulliner is de auto 125 kilo lichter en daarmee een stuk sneller. De keerzijde is de hoge prijs: bijna het dubbele. Meer dan dertig auto’s op Alvis-basis zijn er dan ook niet gemaakt.
Vier jaar na de herstart presenteert Alvis een nieuwe, drie liter zescilinder motor. Deze zal tot aan het einde het hart vormen van de naoorlogse modellen. De positie van het bedrijf als autofabrikant verzwakt echter. Het aantal geleverde auto’s blijft beperkt, ook vanwege de problemen om een geschikte koetswerkleverancier te vinden. In sommige jaren zijn slechts twee productieweken nodig om de jaarproductie te realiseren.
 

De TA van Duncan is lichter en sneller, maar was ook veel duurder.

Bij de Duncan staat een figuur van een hond voorop.

Verder dan 30 stuks kwam het niet.

TB en TC
Een veelzeggend voorbeeld van de beginnende teloorgang is de TB21 open tweezitter van carrosseriebedrijf A.P. Metalcraft. De hoge, traditioneel gevormde voorkant doet afbreuk aan de verschijning. Bij de introductie is het plan er honderd te maken. Na 31 stuks valt echter het doek. De klanten lopen de Alvis-dealer voorbij en kiezen voor de veel goedkopere en aantrekkelijker Jaguar XK120. Je kunt ze geen ongelijk geven.
Rondom de drie liter bouwt Tickford onder meer de TC21-100, bijgenaamd de Grey Lady. De Britten noemen dat zo mooi een DHC, een Drophead Coupé. Wij zouden geneigd zijn het een cabriolet te noemen, maar er is een groot verschil. De auto kan ook met een halfopen kap worden gereden. De 100 is een snelle versie met 100 pk, goed voor een top van 100 mijl, meer dan 160 km/u. Het is voor het eerst na de oorlog dat een serieauto een dergelijke snelheid haalt. Deze snelle uitvoering is te herkennen aan de extra twee luchtinlaten op de motorkap.
 

De sportwagen van A.P. Metalcraft (1952) kon niet opboksen tegen de veel fraaiere Jaguar XK120.

De voorzijde van de TB21 was te klassiek voor een sportwagen. 

Een DHC noemen de Britten dit: een Drophead Coupé. Deze is van 1955.

De snelle TC21-100 is herkenbaar aan de extra luchtinlaten op de motorkap. 

De vormgeving is ook in 1955 eerder klassiek dan modern te noemen.  

De auto is van een enthousiast lid van zowel de Britse als Nederlandse club van eigenaren.
 

Graber
In 1955 start Alvis een samenwerking met het Zwitserse carrosseriebedrijf van Hermann Graber. De Zwitser zoekt een leverancier van chassis met motoren, de Engelsen een koetswerkbouwer. De nuchtere Zwitsers nemen afscheid van de klassieke Engelse lijnen en tekenen een strak model, leverbaar als tweedeurs met vaste kap of als cabriolet. Voor de exportmarkten is de samenwerking een oplossing, voor de binnenlandse markt niet. De importheffingen maken de auto in het moederland onverkoopbaar. Alvis verwerft de rechten van het ontwerp en zoekt in eigen land bedrijven voor de uitvoering. Eerst sluit het een contract met Willowbrook uit Loughborough, later met Park Ward, de leverancier van carrosserieën voor Rolls-Royce en Bentley.
De tentoonstelling showt twee modellen uit het Alvis-Graber tijdperk. De TE21 uit 1964 is waarschijnlijk voor velen de mooiste van de show en een van de fraaiste creaties op een Alvis-chassis. Bij het zien ervan herinner ik me opeens een advertentie over deze auto in de 1966-er editie van het Zwitserse Automobil Revue/Revue Automobile, een boekwerk met alle auto’s ter wereld. De presentatie is even strak als de lijnen van dit model.

In 1966 adverteert Graber met een eenvoudige advertentie in het Zwitserse boek met alle auto's van de wereld. 

Graber maakte fraaie carrosserieën op basis van een Alvis-chassis, met ultradunne raamstijlen.

Deze auto is uit 1964.

De elegantie is bijna on-Brits. Je denkt eerder aan een Frans of Italiaans ontwerp.
 

Einde
Een blauwe, open TF21 - met 200 km/u als top de snelste Alvis ooit - markeert het einde van het merk als autoproducent. In 1965 neemt Rover de onderneming over, maar is twee jaar later zelf overnamekandidaat. Leyland lijft Rover in en ziet geen heil in het merk Alvis. Een jaar later gaat Leyland met Rover op in BLMC, de British Leyland Motor Corporation.
“Alvis zal door liefhebbers worden herinnerd als het merk van innovatie, kwaliteit, elegantie en aristocratie”, schrijft Anton Brouwers, voorzitter van de Alvis Owner Club Nederland in het voorwoord van het jubileumboek van zijn club. De kans is groot dat door de tentoonstelling in het Louwman Museum de schare van liefhebbers groeit. Wie zich erin verdiept, leert dat Alvis méér is geweest dan zo maar één van de vele traditionele Britse merken. Een kleine speler met een groots verleden.
 

De laatste en tevens snelste Alvis: de TF21 van 1967.

Na ruim 47 jaar hield het merk op te bestaan als autofabrikant. 

De carrosserie werd naar het ontwerp van Graber gemaakt door Park Ward. 

Links: hout en leer, dat past bij een klassieke Brit. Rechts: sierstrip en kofferbakhendel.

Onderdeel van de tentoonstelling zijn miniatuurmodellen. 

Modellen uit de vooroorlogse periode.

Tweede van links is een Duncan convertible. Tweede van rechts een shooting brake. 

Net als in het echt: een grote variatie aan modellen.

Alvis-modellen van de laatste modelseries. 

Koplamp van de Silver Eagle.