Bijzondere Alfa Romeo's

Den Haag (NL)


 
●  Tijdelijke tentoonstelling in Louwman Museum
● 
Exclusieve creaties van Italiaanse koetswerkhuizen
●  Enkele modellen uit het Alfa Romeo-museum
●  Coupés, cabriolets, racers en conceptcars
●  Aanvulling: introductie nieuwe 4C in Nederland
●  Aanvulling: bijeenkomst 6C's

 
april / mei / juni 2013

  


Galerie van schoonheden en beroemde namen

Zestien exclusieve Alfa Romeo’s, allemaal met een uniek koetswerk, vervaardigd door één van de beroemde studio’s in Italië. Een tijdelijke tentoonstelling in de grote hal van het Haagse Louwman Museum brengt ze bij elkaar. Dat is smullen voor de pure Alfisten, maar een niet minder smakelijk hapje voor iedere andere autoliefhebber. Reden voor een hernieuwd bezoek. 

De deuren van het Alfa Romeo-museum in Arese bij Milaan zitten al enkele jaren op slot. In het gebouw staat voor een kapitaal aan historische auto’s, maar niemand die er bij kan komen. In 2009 werd vol trots aangekondigd dat ter ere van het eeuwfeest een jaar later een opgeknapte tentoonstelling te zien zou zijn. De belofte werd niet nagekomen. Over het hoe en waarom is het gissen. Op de website staat een simpele boodschap: “The Alfa Romeo Museum is closed until further notice for maintenance. We apologize for any inconvenience”. In de pers circuleren verhalen dat het museum nooit meer open zal gaan. Moederbedrijf Fiat is van plan het voormalige fabrieksterrein met het museum af te stoten als onderdeel van het nationale saneringsprogramma. Wat er met de collectie gaat gebeuren, is ongewis*.

*Na 2013 is er meer duidelijkheid gekomen.
In 2015 is het museum heropend, in 2017
brachten we er een bezoek. Zie:
verslag.
 

Het beeldmerk van Alfa Romeo uit de tijd dat het bedrijf alleen in Milaan een fabriek had staan.

Alfa Romeo's van de vaste collectie van het Louwman Museum.

De 8C 2900B, bijgenaamd 'de walvis', een prototype uit 1941. Rechtsboven een foto van de auto in actie.

Naast racewagens uit de vroege jaren ook jongere modellen.

Alfa Romeo Type 33/2 Daytona met acht cilinders uit 1968.

Stijliconen
Evert Louwman is liefhebber van het merk. In een ver verleden was zijn bedrijf Louwman & Parqui enige tijd importeur voor Nederland. Tot de vaste collectie van zijn automuseum behoren verschillende historische modellen van Alfa Romeo. Maar liefst zeven auto's staan in een speciaal ingerichte Alfa-afdeling op de eerste verdieping. Ze hebben allemaal betrekking op het roemrijke raceverleden. De letters zoals ze vroeger op de radiator stonden, staan meer dan levensgroot op de muur.
Tussen 27 april en 2 juni 2013* staan er in de grote hal van het museum nog zestien Alfa’s extra. Hierbij ligt de nadruk op de vormgeving. Enkele auto’s komen uit het museum van Arese. Een pleister op de wonde voor de bewonderaars.
Op de speciale tentoonstelling ‘Stijliconen, Passione per il Design Italiano’ vind je geen alledaagse seriemodellen, maar auto’s met handgemaakte carrosserieën uit de werkplaatsen van de wereldberoemde Italiaanse ontwerpers. Plus als extraatje de meest begeerde supersportwagen van het merk.

* De tijdelijke expositie is verlengd tot 23 juni
 

Stijliconen, Passione per il Design Italiano: de tijdelijke tentoonstelling in de grote hal van het museum.

Conceptcars
De bedrijven van Bertone, Pininfarina, Michelotti, Touring en Zagato creëerden op basis van Alfa Romeo-techniek uitzonderlijke modellen, veelal voor klanten met een dikke beurs. Ze kregen een auto waarvan er hooguit een paar werden gemaakt, soms zelfs maar één. Geregeld presenteerden de ontwerphuizen op autoshows ook conceptcars, driedimensionale visitekaartjes om te laten zien waartoe de creatieven van de bedrijven in staat zijn. Drie van die stijlstudies hebben hun weg naar het Louwman Museum gevonden, twee van Bertone en één van Pininfarina. Over mooi en lelijk valt niet te twisten. Imponerend zijn ze in elk geval wel. Dat geldt trouwens voor de hele expositie, met dank aan het fabrieksmuseum, de collectie van de Italiaanse verzamelaar van topstukken Corrado Lopresto (wiens collectie niet voor een groot publiek toegankelijk is) en enkele particulieren. De tentoonstelling kwam tot stand in samenwerking met de Club van Alfa Romeo-bezitters ter gelegenheid van de viering van het 35-jarige bestaan.
 
 

Twee conceptcars van Bertone.

 

  


Geschiedenis van Alfa Romeo
 

Twee modellen uit de beginperiode, beide een A.L.F.A.'

Voordat we naar de auto's gaan kijken, duiken we kort in de geschiedenis. Op 24 juni 1910 wordt de Anonima Lombarda Fabbrica Automobili opgericht, afgekort tot A.L.F.A. Het nieuwe merk is een voortzetting van de weinig succesvolle introductie van het Franse merk Darracq op de Italiaanse markt. (De familie Darracq blijft via de aandelen nog enige tijd verbonden met de Italiaanse firma.) Een groot succes wordt het allemaal niet. Alfa leidt een kwakkelend bestaan. Tijdens de Eerste Wereldoorlog krijgt industrieel Nicola Romeo belangstelling voor de fabriek. Het gaat hem vooral om de productiecapaciteit; veel interesse voor de auto's heeft hij niet. Hij produceert voor de Italiaanse oorlogsindustrie en maakt tractoren, vliegtuigmotoren en spoorwegmaterieel. Als de vrede is teruggekeerd, komt de autoproductie na stevig aandringen bij Romeo toch weer in beeld. Hij voegt zijn naam aan die van Alfa toe. De befaamde combinatie is geboren.
 

Beroemde racers in de Louwman-collectie: 6C 1750 Grand Sport (1931), 6C 1500 SS (1929) en 8C 2300 Le Mans (1933).

Aan de muur hangen historische opnamen waarop de auto's in actie te zien zijn.

Touring maakte het koetswerk van dit model. De regels schreven voor dat de racewagen een 'personenauto' moest zijn.

Een 6C 1750 Gran Sport Testa Fissa van 1931, speciaal ontworpen voor de racerij.

Races
Als onderdeel van de marketing gaat het merk deelnemen aan races, zoals zoveel autofabrikanten. Er is geen betere reclame voor de kwaliteit van je producten dan een overwinning in een uithoudingstocht voor rijders en machines. Alfa Romeo viert triomfen op de circuits en de parcoursen, niet in de laatste plaats dankzij Enzo Ferrari, coureur en later hoofd van het raceteam. Verschillende jaren na elkaar zegeviert hij bij de verschillende Grand Prix. Dat kan niet verhinderen dat het bedrijf in 1933 in financiële nood komt. Alfa Romeo wordt overgenomen door het overheidsbedrijf IRI (Instituto Riconstruzione Industriale). Het gereorganiseerde bedrijf legt zich toe op vrachtwagens en vliegtuigmotoren. Alfa trekt zijn fabrieksteam terug uit de racerij. De auto's verdwijnen echter niet van de circuits. Ferrari start een eigen renstal en gebruikt daarvoor de modellen van zijn voormalige werkgever. Later ontwikkelt hij zijn eigen racewagens. De leerling zal dan de meester overvleugelen. Ferrari wordt het beroemdste race- en sportwagenmerk ter wereld.
 

De 6C 2500 was de eerste naoorlogse Alfa Romeo, basis voor verschillende modellen van koetswerkbouwers.

Auto's
In de Tweede Wereldoorlog verwoesten bombardementen de Alfa-fabrieken. Na de capitulatie komt de reguliere productie weer langzaam op gang. Het begint met motoren voor schepen en vliegtuigen. Daarna komen pas de auto’s. Het eerste naoorlogse model is de 6C 2500, dat wil zeggen: chassis en motor. Het is een voortzetting van de vooroorlogse serie en uitgangspunt voor prachtige koetswerkcreaties van onder meer Pinin Farina (nog niet aan elkaar geschreven) en Carrozzeria Touring. Het merk bouwt ook weer racewagens, de Tipo’s 158 en 159.
In de jaren vijftig komt het tot een vorm van grootschaliger productie. Een goedkopere auto is noodzakelijk om te kunnen blijven voortbestaan. Er komt een lopende band in de fabriek. Het debuterend  “massamodel” is de 1900, de eerste Alfa Romeo met links stuur. In 1954 volgt een kleinere auto, de Giulietta. Bij de productie ligt evenwel de nadruk op vrachtwagens en autobussen! Alfa is één van de grootste fabrikanten van Italië op dat vlak.
De onafhankelijke koetswerkbedrijven leven zich uit op speciale versies, soms in opdracht van de fabriek en in grotere series gemaakt, soms op verzoek van een individuele klant. Het worden allemaal liefhebbersauto’s. Vandaag de dag brengen ze aardig wat geld op.
 

"Massaproducten": de 1900 en Giulietta.

De Giulia, één van de bekendste naoorlogse Alfa Romeo's. Rechts de eenvoudiger 1300 met enkele koplampen.

Milaan
In 1960 opent Alfa Romeo een nieuwe fabriek in Arese bij Milaan, waar ook het wegkwijnende fabrieksmuseum staat. Het merk presenteert de Giulia, één van de langer lopende modellen. Hoogte- en dieptepunten domineren de historie in de jaren erna. De Giulia blijft lang in productie en de coupéversie wordt een klassieker. De Spider kent een grote liefhebbersgroep. Daar staan tegenover de opzienbarende maar commercieel weinig succesvolle Montreal met achtcilinder motor en de in Napels gemaakte Alfasud, een auto waarvan het concept deugt, maar de bouwkwaliteit niet. De Sud bezorgt het merk het slechte imago van onbetrouwbaarheid en roestgevoeligheid. Dat laatste is nog vriendelijk uitgedrukt. Ze roesten al in de folder, is een veelgehoorde uitdrukking. De bedrijfsleiding is door de politiek gedwongen een fabriek in het arme Zuid-Italië neer te zetten. De werknemers hebben echter geen enkele ervaring met werken in een fabriek, laat staan met geavanceerde industriële productie. Er wordt gezegd dat ze het werk zelfs saboteerden. Bovendien worden inferieure materialen gebruikt. De Alfa’s uit het Noorden lijden mee. Hun reputatie is niet veel beter. Het zijn veelal stijlvolle verschijningen met sportieve eigenschappen die een trouwe, maar veel te kleine liefhebbersgroep aanspreken. Dat is geen basis voor een gezonde zelfstandige onderneming.
 

Tegenpolen: Alfasud (ontworpen door Giugiaro) en de Montreal (een ontwerp van Bertone).

Fiat
Alfa Romeo vindt in 1986 onderdak bij Fiat, dat eerder Autobianchi en Lancia heeft ingelijfd. De dominante speler op de Italiaanse automarkt heeft zich dan ook al ontfermd over Ferrari. De historische lijnen komen weer bij elkaar: Alfa Romeo en Ferrari zijn weer met elkaar verbonden. Het tijdperk van specialistische carrosserieën is inmiddels grotendeels geschiedenis. Verschillende koetswerk-bedrijven hebben hun deuren moeten sluiten. Mensen met veel geld kunnen uitstekend terecht bij ‘reguliere’ productiemodellen van de dure Duitse merken of komen aan hun trekken in de showrooms van Maserati, Ferrari of Lamborghini. Bertone en Pininfarina kunnen het hoofd boven water houden door zich toe te leggen op kleinschalige productie van bijzondere uitvoeringen. In opdracht maken ze de coupé- en cabrioletuitvoeringen van Alfa's. 
 

Productie van de Alfa Romeo bij Bertone in vroegere tijden (foto's: Bertone).

Alfa's van Bertone: de Giulietta Sprint en Giulia SS. 

Verbeelding
Vandaag de dag spreekt Alfa Romeo nog altijd tot de verbeelding. De ontwerpers slagen er telkens in onderscheidende modellen te tekenen die charme en elegantie koppelen aan een sportieve uitstraling. Verschillende keren is hun inzet bekroond met de uitverkiezing tot auto van het jaar. Hoe eervol ook, volle orderboeken levert het vaak niet op. Samen met Lancia is Alfa Romeo het zorgenkind binnen de Fiat-familie. De huidige modellen MiTo en Giulietta laten zich minder goed verkopen dan bij de introductie werd verwacht. In ons land werden in 2012 nog geen 3700 Alfa’s aan de man en vrouw gebracht, een marktaandeel van 0,72 procent. Een jaar ervoor waren dat er nog 5500. Topjaar was 1999 met bijna 10.000 orders. Groot is het merk hier nooit geweest. Exclusiviteit is gegarandeerd.

 

Alfa Romeo 8C Spyder (2009) waarvan er maar 500 werden gemaakt. Nieuwprijs bij ons zo'n € 300.000.

 

  


Stijliconen - Passione per il Design Italiano
 


Terug naar het museum, naar de meesterwerken van de Italiaanse vormgevers. Ze staan in de spotlights die zijn blijven hangen na de vorige tentoonstelling, rond de jaarwisseling. Toen wist men zeven historische racewagens van Mercedes-Benz naar Den Haag te halen. Er was veel belangstelling voor de Silberpfeile
(►zie verslag). Ze spraken tot de verbeelding. Deze Italiaanse stijliconen hebben alles in zich om weer een grote groep liefhebbers aan te trekken. Het is een knap staaltje organisatiekunst geweest om deze auto's bij elkaar te brengen. Zonder de goede relaties in de wereld van de collectioneurs en de musea was dat niet mogelijk geweest.
De zestien ontwerpen beslaan een periode van bijna veertig jaar. De oudste auto is van 1938, de jongste van 1976. Zes carrosserie-bedrijven zijn verantwoordelijk voor de verschillende creaties. 
Het museum heeft ervoor gekozen de modellen van dezelfde koetswerkbouwers bij elkaar te zetten en de auto's niet op soort of tijdvak te presenteren. Dat geeft een afwisselend beeld en onderstreept de veelzijdigheid van de ontwerphuizen. Het is een goede keuze geweest, al staan soms totaal onvergelijkbare auto's naast elkaar.

 

Touring
 

6C 2500SS 'Trossi' met een chassis uit 1942, vier jaar later van een koetswerk voorzien.

Een klein plaatje onderaan de grille verraadt om welk type het gaat. Deze auto is in particulier bezit.

Vier modellen zijn gemaakt bij Touring. In 1928 maakte dit bedrijf zijn eerste koetswerken. Alfa Romeo was toen al de basis. Specialiteit van het huis is de Superleggera-bouwwijze, wat zoveel wil zeggen als super-lichtgewicht. Met een frame van stalen buizen en aluminium plaatwerkdelen ontstaat een auto die veel lichter is dan vergelijkbare modellen van staal. Een mooi voorbeeld is de
6C 2500SS Trossi, genoemd naar de eerste eigenaar. Hij gaf Touring in 1946 opdracht voor deze auto, waarbij een chassis uit 1942 werd gebruikt. Tegenwoordig is de auto in particulier Nederlands bezit. 
Een tweekleurige cabriolet op basis van dezelfde techniek is van 1951. De coupéversie werd twee jaar eerder gepresenteerd op het beroemde Concours d'Elegance van Villa d'Este in Italië. Het werd een prijswinnaar, waarna het ontwerp de naam van het concours in zijn naam ging meedragen. Het ontwerp was in die tijd buitengewoon modern door het ontbreken van treeplanken en geïntegreerde spatborden. Van deze cabriolet zijn er destijds tien gemaakt. Drie ervan zijn overgebleven.
 

6C 2500SS Cabriolet 1951 Villa d'Este, baanbrekend van vorm. Er zijn er nog drie van in de wereld.

De Superleggera-bouwwijze was het handelsmerk van Touring. Het stond aan weerszijden op de motorkap.


Elegantie is niet het eerste woord dat je te binnen schiet bij het zien van de 8C 2900B Le Mans uit 1938. De auto koppelt een uitstraling van brute kracht aan maximale stroomlijn, beide van belang om op het circuit zo goed mogelijk te scoren. Lange tijd reed de auto tijdens de 24 uursrace van Le Mans aan kop, maar na 18 uur moest de coureur met pech afhaken. Een klapband en een gebroken klep waren de boosdoeners.
Totaal anders, maar minstens zo opvallend is de 1900 uit 1953, bijgenaamd Disco Volante, vliegende schotel. De auto was aerodynamisch en woog weinig, maar op het circuit was het geen succes. Door de vorm ontstond op hoge snelheid een opwaartse kracht. Het werd letterlijk een vliegende schotel! Met zijn hoge achterspatborden met wulpse vormen is de auto ongetwijfeld inspiratiebron geweest voor de tekenaars van de Jaguar E-type.
 

8C 2900B Le Mans 1938, een acht cilinder (8C) met 2900 cc motorinhoud.

Een goede start op Le Mans, maar de auto moest voortijdig afhaken. 

Disco Volante 1953. De coupé heeft Jaguar vast geïnspireerd bij het tekenen van de E-type.

Aan de voorzijde is het onmiskenbaar een Alfa Romeo.

De achterkant was niet ideaal bij hoge snelheden: de auto werd onvoldoende op de weg gedrukt.

De auto is licht gebouwd, onder meer door gebruik van plexiglas voor de ruiten.
 

Pininfarina

Pininfarina (in 1930 begonnen als Farina), misschien wel de grootste van de Italiaanse ontwerpers en de vormgever van de meeste Ferrari's, is vertegenwoordigd met drie auto's. De oudste is de 6C 2500SS uit 1949. De smalle verticale grille is typerend voor Alfa Romeo. Farina voegde er als nieuw element dubbele ronde koplampen aan toe. Het model ademt eerder luxe dan sportiviteit uit, geaccentueerd door de grote verchroomde wieldoppen.
Van slechts drie jaar later is de 1900 L TI. Het tijdsverschil lijkt veel groter. De auto doet een stuk moderner aan. Opvallende elementen zijn de rode grille, de minimale verticale bumperdelen en de kleine luchtroosters onder de achterste zijruiten. Het bekende Alfa-hart in de grille ontbreekt: de auto zou ook een coupé op Fiat-basis kunnen zijn. De auto maakt deel uit van de verzameling van Corrado Lopresto in Milaan. Hij is alleen geïnteresseerd in unieke modellen.
De jongste Pininfarina is één van de eerder genoemde showmodellen, de 33/2 uit 1968, destijds gepresenteerd op de autotentoonstelling van Turijn, de thuisbasis van het huis. Net als bij veel racewagens is er maar één ruitenwisser. De deuren scharnieren aan de bovenzijde. De middenmotor is goed te zien door de glazen motorkap annex achterruit.
 

Uit 1949 stamt de 6C 2500SS, het bedrijf heette toen nog Farina.

Met de dubbele koplampen creëerde Pininfarina in 1949 iets nieuws.

Het showmodel uit 1968 was geen trendsetter. Weinig elementen zijn door anderen overgenomen.

Het showmodel 33/2 heeft vloeiende lijnen en kunststof ruiten.

De motor is goed zichtbaar door de "achterruit". 

Op basis van de 1900 ontstond deze coupé met opvallende grille.

Links de opvallend rode grille, rechts het beeldmerk van het huis Pininfarina.
 

Zagato

De creaties van Zagato (opgericht in 1919) zijn doorgaans gewaagder dan die van de andere Italiaanse stilisten. Het bedrijf bestaat nog steeds en ontwierp afgelopen jaren onder meer een speciale versie van de Nederlandse Spyker. Kenmerkend voor de klassiekere  modellen is het gebruik van lichte materialen als aluminium en polyester. Zagato mag een zwaargewicht in de ontwerpwereld zijn, de modellen waren dat allerminst. De 1900 SSZ (de Z staat voor Zagato) uit 1954 is hiervan een voorbeeld. De auto was bedoeld om ermee te racen. Glimmen doet hij niet meer, wat jonge bezoekers doet uitroepen "Die mag ook wel eens gewassen worden". De auto is nog volledig origineel en destijds – onbegrijpelijk voor zo’n exclusief model – achtergelaten in een garage. Na veertig jaar werd hij herontdekt. Het is zo’n verhaal waar Evert Louwman dol op is. Hij zou ‘m misschien wel voor altijd in zijn museum willen hebben. Dat zit er niet in. Eventjes is ook al mooi.
 

Veertig jaar verwaarloosd, maar daarna gekoesterd. 

De 1900 SSZ (de Z staat voor Zagato) dateert uit 1954.  

Uit 1965 stammen de 2600SZ, één van vier gemaakte prototypen, en de TZ2. Ze hebben allebei een door Zagato vaak toegepaste recht afgesneden achterzijde, een zogeheten coda tronca. Bij de gele 2600 is die zwart, een opvallend contrast. De 2600SZ werd door Alfa Romeo in de catalogus opgenomen, maar de productieversie was veel minder extreem dan dit prototype.
De TZ2 is een echte racewagen, gebaseerd op de techniek van de Giulia. De nauwelijks een meter hoge auto weegt maar 620 kilo, dankzij de kunststof carrosserie. De motor heeft vier cilinders en meet 1570 cc. De 165 pk zijn goed voor 220 km/u. Ook deze auto is zeer exclusief. Er zijn er twaalf van gemaakt.
 

De 2600SZ werd in kleine serie gemaakt. Hier één van de vier prototypen.

Let op de motorkap die de hele voorkant omvat en de verticale kofferklep.

Ter vergelijking: de 2600SZ-productieversie.

De TZ2, vederlicht dankzij het gebruik van kunststof. De voorzijde doet denken aan een Ferrari 250GTO. 

De coda tronca, de platte achterkant, stijlkenmerk van Zagato. 

Bertone

Samen met Pininfarina behoort Bertone tot de aanvoerders van de Italiaanse ontwerpers, niet in de laatste plaats vanwege de vele modellen die in serieproductie gingen. De sportversies van Fiat en Alfa zijn bij een groot publiek bekend. De Giulia Sprint is zelfs veel bekender onder de bijnaam 'de Bertone coupé'. In 2012 bestond het bedrijf honderd jaar.
Op basis van een ingekort Super Sport chassis van de 6C 2500 SS uit 1939 maakte Bertone in 1942 een gestroomlijnde coupé naar tekeningen van de onafhankelijke ontwerper Mario Revelli di Beaumont. Ook hier zien we weer de verticale grille, gecombineerd met twee horizontale delen. De tot de achterspatborden doorgetrokken voorste spatborden maken het ontwerp elegant, maar tegelijkertijd ook wat zwaar. De ontwerper kon destijds niet bevroeden dat zijn auto ooit nog zou prijken op een tentoonstellingsaffiche van een Nederlands museum.
 

Mario Revelli di Beaumont ontwierp deze 6C 2500, Bertone maakte de auto.  

Dak en achterkant gaan vloeiend in elkaar over. De huidige eigenaar is Corrado Lopresto.

De 6C 2500 is gebruikt bij de promotie van de tentoonstelling. 

Extreem in vele opzichten zijn de conceptcars Carabo en de Navajo. De eerste uit 1968 was op vormgevingsgebied trendzettend met zijn strakke lijnen en sterk aangezette wigvorm. De deuren gaan naar boven open zonder dat sprake is van vleugeldeuren. In plaats van een achterruit zijn er een soort schubben. Inspiratiebron waren de dekschilden van een Italiaanse keversoort, de carabo, die de auto ook zijn naam leende. 
Acht jaar later presenteerde Bertone de Navajo. Wat de naam van deze indianenstam met dit bijna buitenaardse model te maken heeft, is onduidelijk. De aerodynamische carrosserie is gemaakt van door glasvezel versterkt polyester. Eén van de innovaties zit aan de binnenkant: een digitaal display als onderdeel van het dashboard. De koplampen zijn verstopt en scharnieren naar buiten als ze aangaan. Eigenlijk overbodig, want dit is geen auto om 's avonds een blokje om te gaan...
 

Carabo: het is een auto, maar niet om op de weg mee te rijden. 

De wigvorm is hier in extreme mate doorgevoerd.

De meester zette zijn handtekening op de flanken.

De Navajo is ook niet geschikt voor dagelijks vervoer. 

Een speelse variant op het Alfa-logo prijkt op de neus.  
 

Stabilimenti Farina / Michelotti

Nog een beroemde naam uit de Italiaanse ontwerpwereld is die van Giovanni Michelotti, onder meer de geestelijke vader van onze eigen Daf (44/55-reeks). Met meer dan 1200 ontwerpen is hij volgens kenners één van de productiefste en invloedrijkste designers van Italië. Hij werkte bij verschillende ontwerpstudio's voor hij in 1951 zijn eigen bedrijf startte. Nog in dienst van Stabilimenti Farina (het bedrijf van de broer van Pinin Farina) schiep hij de tentoongestelde 6C 2500S. Kenmerkend voor deze auto is de grille over de gehele breedte. Met chroomdelen is een verticaal middendeel ontstaan om zo aan te sluiten bij de "huisstijl" van Alfa Romeo. Zonder deze delen had de auto ook van een ander merk kunnen zijn. De cabriolet werd aan de wereld voorgesteld tijdens de autotentoonstellingen van Parijs en New York in 1947. Tegenwoordig is Milaan de thuisbasis: het privémuseum van de al eerder genoemde Corrado Lopresto.
 

Een 6C 2500 die nauwelijks herkenbaar is als een Alfa, een creatie van Michelotti. 

Vanuit deze hoek bezien zou het ook een Bentley kunnen zijn.  

Links: de opmerkelijke grille. 

Zoals alle carrosseriehuizen zette Farina zijn herkenningsplaatje op de flanken. 

 

Castagna

De vijftiende bijzondere Alfa Romeo is in 1939 gecreëerd door Castagna uit Milaan, een onderneming met wortels in de 19e eeuw als koetsenbouwer. Al snel na de komst van de verbrandingsmotor schakelde het bedrijf over op koetswerkbouw voor auto's. Hoewel minder bekend dan Farina en Bertone was het in de hoogtijdagen een omvangrijke onderneming met onder meer het Vaticaan als klant.
Alweer is de basis voor het werk een 6C 2500-chassis. De oorspronkelijke motor is echter vervangen door een prototype van een twaalfcilinder met een inhoud van 3500 cc. (Eigenlijk zou de auto dus ook 12C 3500 kunnen heten.) Alfa heeft de krachtbron nooit in productie genomen. De unieke combinatie maakt deze auto tot een echt liefhebbersmodel, passend bij de rest van de tijdelijke en vaste collectie van het Louwman Museum.
 

Ook deze fraaie coupé van Castagna heeft als basis het chassis van de 6C 2500. 

Vloeiende lijnen bepalen het beeld, met een hoge verticale grille en een merkwaardige achterklep. 

De daklijn is ver naar achteren doorgetrokken ter wille van de achterpassagiers. 


 

Scaglioni

Als extraatje kondigde het museum daags voor de opening de aanwezigheid van de Alfa Romeo 33 Stradale aan. Je kijkt er letterlijk misschien gemakkelijk overheen - hij is nog geen meter hoog - maar figuurlijk gesproken is het een reus. Volgens kenners is dit de meest begeerde supersportwagen van het merk, geproduceerd tussen 1967 en 1969. Het ontwerp is van Franco Scaglione. De auto is afgeleid van de competitieversie maar wel echt bedoeld als 'straatauto'. De achtcilinder is de eerste Alfa Romeo met middenmotor. Topsnelheid: 260 km/u. Hoeveel er precies zijn gemaakt is niet helemaal duidelijk. Op basis van de chassisnummers in de archieven zijn het er achttien, maar mogelijk zijn enkele chassis gebruikt voor een ander model. De waardebepaling van een dergelijke auto is altijd lastig, maar naar verluidt zou je een miljoen euro moeten neertellen om er een te bemachtigen. Als de eigenaar er tenminste van af wil... 
 

De 33 Stradale van Scaglione, goed voor een miljoen. 

De deuren reiken tot ver in het dak. 

Achterdeur
Zestien auto's. Stuk voor stuk de moeite waard. Bij elkaar een unieke tijdelijke collectie. In juni gaan ze weer terug naar hun eigenaren, naar de collectie van Lopresto, enkele niet nader genoemde particulieren en het Museo Storico Alfa Romeo in Arese. Van dat museum gaat de deur dan even van het slot. Het is helaas de achterdeur. Vooralsnog blijft de hoofdingang gesloten. De indrukwekkende historische modellen worden aan het zicht onttrokken tot het moment dat een enthousiaste museumdirectie de eigenaar weet te overreden een paar auto's uit te lenen. Waar komen de stijliconen immers beter tot hun recht dan in een dergelijke galerie van schoonheden en beroemde namen? Precies: nergens.
 

Straks weer achter de gesloten deuren van het Alfa-museum.  

 

   Aanvulling - mei 2013

Nederlandse introductie Alfa Romeo 4C

De importeur greep de tentoonstelling in het Louwman Museum aan om op 28 mei de nieuwe Alfa Romeo 4C in Nederland te introduceren. Met deze sportwagen zet het merk zijn sportieve traditie voort, met inbegrip van de typebenaming. De 4C heeft dus vier cilinders met een inhoud van 1750 cc. De 240pk in combinatie met het geringe gewicht van 895 kilo zijn goed voor een top van meer dan 250 km/u en een acceleratie van 0-100 in 4,5 seconden. De auto is vanaf zo'n 60.000 euro leverbaar. Speciaal voor deze gelegenheid werd de tijdelijke expositie aangevuld met de 8C Spyder uit 2009.
 

Alfa Romeo's nieuwste paradepaardje, de 4C.   

Een sportwagen in optima forma die vooral op de Amerikaanse markt veel klanten moet gaan trekken.

De 8C uit 2009 is nu al een klassieker.

 

   Aanvulling - juni 2013

Bijeenkomst Alfa Romeo 6C-modellen

Ter afsluiting van een toer door Nederland verzamelde een internationaal gezelschap van 6C-liefhebbers zich met hun auto's op 1 en 2 juni bij het Louwman Museum. Na afloop ging een aantal op eigen gelegenheid naar huis, terwijl een groep deelnemers uit Italië hun auto's op transport zetten om zelf per vliegtuig terug te keren. Hieronder een foto-impressie van zondagmiddag 2 juni. 

De 6C's stonden geparkeerd op het voorterrein van het museum.

De ontwerpers kozen voor een verschillende oplossing voor de hoge daklijn van de vierzitters.

Het was een internationaal gezelschap. Deze deelnemer kwam uit Duitsland.

Het weer liet toe dat de kap voor vertrek naar beneden kon.

Een vroege 6C met agressief-sportief gelijnd koetswerk.

Voor- en achterkant van deze auto.

Zo kennen de meesten de 6C, als tweezits coupé.

Ver van huis...

In afwachting van transport.

Het voorste model heeft duidelijk een langere wielbasis dan de auto erachter.

Vier lampen: een stijlelement van Touring.

Het Superleggera-koetswerk is van Touring.

Dit model van Pininfarina mist de bekende grille. Het had ook een Lancia kunnen zijn.

Een werkelijk schitterende coupé, strak gelijnd zonder enige overbodige lijnen.

Allebei een 6C, maar wat een verschil.

De limousine doet wat ouderwets aan, maar is wel heel bijzonder.

De koeling is duidelijk door de grille heen te zien.

Pininfarina maakte de carrosserie van deze vierdeurs.

Groeten als afscheid: op weg naar huis, tot een volgende bijeenkomst.

Deze 6C racewagen gaat op een trailer huiswaarts.

Voor het transport heeft de eigenaar de ruitenwissers vastgeplakt.

Voorzichtig worden de auto's op de Italiaanse transporter gereden.

De eigenaar van de bruine auto was 'not amused' dat hij er achteruit op moest rijden.

Terug naar Italië over de weg, maar niet op eigen kracht.

Boem is ho, maar ook heel kostbaar.

Als alles vast staat, kan het bovenste plateau zakken.

Klaar voor vertrek. Nog een laatste controle.